Stap 2: De moordenaar komt binnen
-
"Een moordenaar loopt binnen..." -> De moordenaar betreedt de ruimte.
-
Omdat een moordenaar ook een mens is, komt er weer een persoon bij in de kamer.
-
Totaal aantal personen in de kamer op dit moment: 52 mensen ($50 \text{ mensen} + 1 \text{ ik} + 1 \text{ moordenaar}$).
-
Stap 3: De daad
-
"...en doodt er 30." -> De moordenaar neemt het leven van 30 mensen.
3. Het Scharnierpunt: Wat Gebeurt Er Met de Dode Lichamen?
Nu komen we bij de kern van de vraagstelling: "Hoeveel mensen zijn er nog in de kamer?"
Hier ontstaat de grootste filosofische en taalkundige scheiding onder puzzelaars:
Interpretatie A: Dode mensen blijven fysiek in de kamer
Een overleden mens stopt niet met een mens te zijn wanneer hij overlijdt; het wordt een overleden mens (een lijk). De tekst vermeldt nergens dat de 30 lichamen uit de kamer zijn gedragen, weggehaald of dat de kamer is geëvacueerd.
Fysiek gezien bevinden alle personen zich dus nog steeds binnen de vier muren van de kamer:
-
$50 \text{ oorspronkelijke mensen}$
-
$+ 1 \text{ ("Ik")}$
-
$+ 1 \text{ (De moordenaar)}$
-
Totaal aanwezig in de kamer = 52 mensen (waarvan 22 levend en 30 overleden).
Interpretatie B: "Mensen" slaat alleen op levende personen
Als je de redenering volgt dat een overleden persoon niet meer mee telt als "mens in de kamer" (omdat men spreekt over overlevenden), dan moeten we tellen wie er nog in leven is:
-
$52 \text{ totale personen}$
-
$- 30 \text{ slachtoffers}$
-
Totaal levende mensen in de kamer = 22 ($20 \text{ overlevenden van de 50} + 1 \text{ "Ik"} + 1 \text{ moordenaar}$).