Die middag kwam Daan alleen terug. Zonder jas. Zijn haar in de war, alsof hij er met zijn handen doorheen had gezeten tot het pijn deed. Hij bleef in de deuropening staan alsof hij niet zeker wist of hij welkom was in de kamer van zijn eigen vrouw.
"Ze zeggen dat je in de war bent," zei hij.
"Ga zitten, Daan."
Hij ging zitten. Op de bezoekersstoel, te ver van het bed, zijn handen gevouwen tussen zijn knieën. Een man die zich klein probeerde te maken in een kamer die te groot was voor wat er die ochtend was gebeurd.
Lotte pakte haar tas van het nachtkastje. Haar vingers trilden nog na van de morfine die ze had geweigerd. Ze haalde er een gevouwen bonnetje uit, gladgestreken alsof het iets kostbaars was. Ze legde het op zijn knie.
Hij vouwde het open. Las. Las nog een keer.
"Amstelland Ziekenhuis," zei hij langzaam. "Kamer 4B. Privékamer. Zes weken geleden." Hij keek op. "Betaald met — dit is jouw pas, Lotte."
"Ik koos deze kamer, Daan," zei ze. "Ik koos het rooster boven het bed. Ik koos de hoek van waaruit je alles ziet."
Hij staarde naar het bonnetje alsof het in zijn handen zou kunnen ontploffen. "Wat bedoel je?"
"Er zit een camera in het ventilatierooster." Ze zei het vlak, zonder triomf. Triomf was voor later. "Hij neemt op sinds vanochtend acht uur. Beeld en geluid. Jouw moeder die zegt dat ik labiel ben. Bram die mijn hand dwingt. Alles."
Ze had verwacht dat hij boos zou worden. Dat hij zou schreeuwen over vertrouwen, over privacy, over hoe je zoiets je eigen man niet aandoet. In plaats daarvan zakte er iets in hem weg — alsof er een touw werd doorgeknipt waarvan zij niet had geweten dat het hem overeind hield. Hij boog voorover, zijn hoofd in zijn handen, en hij lachte. Eén keer, kort, gebroken.
"God," fluisterde hij. "God, wat ben ik blij."
"Daan —"
"Ik heb het ook gezien, Lotte." Hij keek op, zijn ogen rood. "Die envelop. Vier maanden geleden. Op de keukentafel. Ik heb hem weggelegd en ik heb tegen mezelf gezegd: ik heb nog tijd. Ik praat met moeder. Ik los het op." Hij schudde zijn hoofd. "Ik heb niks opgelost. Ik heb vier maanden lang niks gedaan behalve hopen dat het vanzelf over zou gaan."
"Waar is de tweede map, Daan?"
Hij verstijfde. "Hoe weet je —"
"Ik zag hem nooit," zei Lotte eerlijk. "Maar ik zag jouw gezicht toen ik ernaar vroeg. En ik zag het gezicht van je moeder. Er is een tweede map. Wat zit erin?"
Hij opende zijn mond. Sloot hem weer. Buiten op de gang piepte een karretje voorbij.
"De echte cijfers," zei hij uiteindelijk, zo zacht dat ze het bijna niet hoorde. "Van het bedrijf. Niet wat de aandeelhouders zien. Wat er echt is."
Voordat ze kon vragen wat hij daarmee bedoelde, rook ze het. Tussen de ziekenhuislucht door — desinfect, lauwe koffie — een vleug parfum. Mariannes parfum. Het hing nog in de kamer, in de gordijnen, alsof ze een vlag had geplant.
"Ze was vanochtend ook in mijn kantoor," zei Daan plotseling. Hij had het ook geroken. "Voordat ze hierheen kwam. Het rook er ook zo toen ik binnenkwam."
Lottes vingers sloten zich om het bonnetje. Een parfum op twee plekken. Dat was geen toeval. Dat was een route.
"Wat zei ze tegen je? Op de gang."
Daan wreef over zijn voorhoofd. "Dat ik moest kiezen. Mijn familie of —" Hij maakte de zin niet af.
"Of dat labiele meisje," vulde Lotte aan. "Heeft ze dat woord gebruikt? Labiel?"
Hij knikte langzaam.
"En in je kantoor vanochtend. Wat deed ze daar?"
"Ik weet het niet." Hij staarde naar zijn handen. "Er lag iets in mijn prullenbak. Versnipperd. Een strook met het logo van Van Rijn Beheer erop. Ik heb hem bewaard." Hij haalde een smalle reep papier uit zijn binnenzak, zorgvuldig gladgestreken. "Er staat maar één woord op dat ik kan lezen."
Lotte pakte de strook aan. In het midden, in vette letters: trust.
Ze keken elkaar aan. Het woord hing tussen hen in als een derde persoon in de kamer.
"Waarom zou mijn moeder het woord trust versnipperen?" fluisterde Daan.
"Dat," zei Lotte, "is precies de vraag die ik al vier maanden heb."
Daans telefoon zoemde op de stoel naast hem. Hij keek naar het scherm en zijn gezicht veranderde. "Bram," zei hij. "Moeder wil me spreken. Nu."
Hij stond op. Bij de deur bleef hij staan, zijn hand op de klink — dezelfde klink waar deze hele ochtend mee was begonnen.
"Als ik nu ga," zei hij, "kom ik misschien niet terug zoals ik wegging."
"Ga," zei Lotte. "En Daan —" Ze wachtte tot hij naar haar keek. "Zet je telefoon niet uit."
→ Deel 5 — De Pen