Wat er de volgende twintig minuten gebeurde, heb ik later stukje bij beetje moeten reconstrueren, want ik was alleen nog bij Sven. Maar Sanne, die ik 's avonds huilend opbelde, vulde de gaten: hoe Ilse's vader Joris bij zijn revers had gegrepen en had geschreeuwd dat hij zijn dochter nooit meer mocht aankijken. Hoe Mark had geprobeerd de laptop van Sven af te pakken en was tegengehouden door twee ooms van Ilse. Hoe de helft van de gasten was vertrokken zonder afscheid te nemen, en de andere helft was gebleven voor het drama, met telefoons omhoog, filmend.
"Het staat overal op," zei Sanne. "Je moet het zien. Nee, eigenlijk moet je het níét zien. Blijf weg van internet vandaag."
Maar ik was er niet mee bezig. Ik was bezig met Joris, die door de menigte heen naar ons toe kwam, zijn gezicht vertrokken van iets wat op verdriet leek maar waarschijnlijk woede was.
"Wat heb je gedaan?" Hij greep Svens arm — hard, te hard. "Wat heb je in godsnaam gedaan, jongen?"
"Laat hem los."
Mijn eigen stem verraste me. Hij was laag, vast, en luider dan ik in jaren had geklonken. De omstanders vielen stil.
"Marjan—" begon Joris.
"Ik zei: laat hem los." Ik deed een stap naar voren en keek mijn ex-man recht aan — de man die achttien maanden geleden met een koffer was vertrokken, de man die me zojuist voor honderd gasten had weggezet als afgedankt afval. "Je raakt mijn zoon nooit meer aan. Begrepen? Nooit meer."
Hij liet los. Sven wreef over zijn arm — er zouden blauwe plekken komen, zag ik later — en kroop dichter tegen me aan.
"Je hebt hem dit laten doen," siste Joris. "Je hebt hem vergiftigd tegen me. Dit is jouw wraak."
"Mijn wraak?" Er ontsnapte me een lach, scherp en bitter. "Joris, ik wist tot tien minuten geleden niet eens wat er op die USB-stick stond. Dit heeft je zoon helemaal alleen gedaan. Omdat hij de waarheid wilde. Iets wat jij in achttien maanden niet hebt opgebracht."
"Je liegt—"
"Veertigduizend euro." Ik sprak het langzaam uit, proefde elk woord. "Mijn handtekening. Nagemaakt. Leg me uit, Joris. Leg me uit hoe dat mijn wraak is."
Hij opende zijn mond. Sloot hem weer. Achter hem zag ik Ilse naderen, haar bruidsboeket allang vergeten, haar gezicht hard als steen.
"Ga weg," zei ze tegen mij. "Dit is onze bruiloft."
Ik keek haar aan — echt aan, voor het eerst. "Was het het waard?" vroeg ik zacht. "Weten wat hij is en toch met hem trouwen?"
Er flitste iets over haar gezicht — twijfel? schaamte? — maar het was weg voordat ik het kon vangen. "Je weet niets van ons," zei ze kil. "Niets."
"Dat klopt," zei ik. "Maar over een paar dagen weet de politie alles. Valsheid in geschrifte is een misdrijf, Ilse. Ook als je ervan wist."
Haar gezicht vertrok. "Ik wist van niets—"
"Dat zoeken we uit," zei ik, en ik nam Svens hand. "Kom, schat. We gaan naar huis."
We liepen het gangpad af, weg van de bloemenboog, weg van de omgevallen stoelen en de gebroken glazen. Achter ons hoorde ik Joris roepen: "Dit is nog niet voorbij, Marjan! Hoor je me? Dit is nog lang niet voorbij!"
Ik draaide me niet om. Sven wel — één keer, kort. Later vroeg ik hem wat hij had gezien. "Pap huilde," zei hij. "Maar ik weet niet of het van verdriet was of van woede."
Thuisgekomen zette ik thee — mijn handen trilden zo dat ik het water morste — en Sven ging op de bank zitten met een deken om zich heen, hoewel het warm was. Hij was opeens weer tien, een klein jongetje dat iets groots had gedaan en nu niet wist wat het zou kosten.
"Mam?" zei hij zacht. "Heb ik het verpest?"
Ik ging naast hem zitten en trok hem tegen me aan. "Nee, schat. Je hebt de waarheid verteld. Dat is nooit verpesten."
"Maar iedereen was boos. En pap... zijn gezicht..."
"Wat je vader voelt, is zijn verantwoordelijkheid. Niet die van jou." Ik streelde door zijn haar. "Maar Sven, ik moet je iets vragen. En ik wil dat je eerlijk bent. Wat staat er op dat tweede bestand?"
Hij werd stil. Lang stil. Toen zei hij: "Iets wat ik nog niet begrijp. Iets over een tweede lening. En over tante Ilse." Hij keek me aan met grote ogen. "Mam, ik denk... ik denk dat zij het wist. Van alles."
Voordat ik kon reageren, ging mijn telefoon. Een onbekend nummer. Ik nam op.
"Marjan? Met Truus." Joris' moeder. Haar stem was dik van het huilen. "Kindje... wat er vandaag is gebeurd... ik moet je spreken. Er zijn dingen die je niet weet. Over Joris. Over waarom hij is zoals hij is." Ze snikte. "Kom alsjeblieft langs. Morgen. Alleen."
Ik keek naar Sven, die in slaap was gevallen op de bank, uitgeput. "Goed," zei ik zacht. "Ik kom."
→ Deel 8 — De oude laptop