Wat is er—” “Ga aan de kant!” schreeuwde ik terwijl ik langs hem heen glipte. Ik stootte tegen een metalen werktafel, waardoor een stapel roestvrijstalen schalen kletterend op de tegelvloer viel. Het lawaai was oorverdovend, maar het gaf me weer een paar seconden voorsprong. Aan het einde van de lange keukengang was de zware, stalen nooddeur die uitkwam op de steeg achter het restaurant. Ik duwde de paniekbalk met mijn volle gewicht in. De deur zwaaide met een luide knal open en de snijdende, koude ochtendlucht sloeg in mijn gezicht. Ik sprong naar buiten, de steeg in. De steeg was smal, klam en rook naar oud vuilnis en nat asfalt. Links liep de steeg dood tegen een hoge bakstenen muur. Rechts leidde de steeg naar de drukke winkelstraat. Zonder te aarzelen rende ik naar rechts. Achter me hoorde ik de stalen nooddeur opnieuw opeenslaan. “Evelyn! Stop! Je maakt een enorme fout!” schreeuwde een van de mannen. Ik keek niet om. Ik snelde de hoek om, de straat op. Het was vroeg in de ochtend, rond zeven uur. De straat was nog halfleeg; er reden een paar auto’s en er liepen enkele forenzen gehaast naar het metrostation. Ik mengde me tussen de mensen, stak mijn armen strak over elkaar en verborg het zwarte doosje en het briefje onder mijn dikke winterjas. Mijn ademhaling was wolkjes stoom in de koude lucht. Mijn hart beukte tegen mijn ribben als een gevangen vogel. Ik keek vluchtig achterom. Een van de mannen in het grijze pak kwam net de steeg uit rennen. Hij keek wild om zich heen, zijn blik scande de straat. Ik dook snel een klein, donker koffietentje in waarvan de deur net van het slot werd gedaan door een slaperige barista. “Goedemorgen, we zijn eigenlijk pas over tien minuten—” begon de jongen achter de balie. “Alsjeblieft,” fluisterde ik, terwijl ik achter een hoge scheidingswand bij de toiletten dook. “Laat me hier heel even staan.” De barista keek me verbaasd aan, maar voordat hij iets kon zeggen, zag hij door het raam de man in het grijze pak voorbijrennen. De man keek vluchtig naar binnen, maar zag mij niet door de getinte ruiten en de scheidingswand, en rende snel door richting het metrostation. Ik zakte langzaam door mijn hoeven tegen de muur van de gang. Mijn benen trilden zo erg dat ik nauwelijks kon blijven staan. Wat was dit? Wie waren die mannen? En waarom was de inhoud van een simpel USB-stickje zo belangrijk dat mensen van een schijnbaar geheime dienst mij door de stad opjoegen? Ik pakte de USB-stick uit het fluwelen doosje en staarde er naar. Het zilveren metaal glom in het zwakke licht van de gang. Mijn vaders dood… drievoudig gecontroleerd door de autoriteiten, afgedaan als een ‘spijtig industrieel ongeval’. Mijn moeder was er kapot van gegaan. Ze was na zijn dood nooit meer de oude geworden. Als mijn vader was vermoord… waarom? Wat had hij ontdekt? Het antwoord lag binnen mijn handbereik. Maar de waarschuwing op het briefje brandde in mijn geheugen: Steek de USB-stick in geen enkel apparaat dat verbonden is met het internet. Als je dat wel doet, vinden ZE je binnen drie minuten. Ik moest een computer vinden die offline was. Een oude laptop, iets zonder wifi, iets wat niet getraceerd kon worden. Ik dacht aan mijn studeerkamer in mijn kleine appartement. Ik had daar nog een oude, afgedankte laptop liggen waarvan de wificard jaren geleden al kapot was gegaan. Het ding werkte alleen nog als je er een ethernetkabel in stak. Het was perfect. Maar kon ik wel naar mijn appartement? Jett had gezegd dat die mannen mijn adres wisten. Als ze mijn huis al in de gaten hielden, zou ik recht in hun armen lopen. Ik keek op mijn horloge. Het was pas 07:35 uur. Ik had tot 23:00 uur vanavond voor de afspraak bij de oude steiger. Dat betekende dat ik meer dan vijftien uur had om uit te zoeken wat er op deze stick stond en om een plan te maken. Ik bedankte de verbaasde barista met een klein knikje en glipte via de zijuitgang van het koffietentje naar buiten. Ik vermeed de hoofdstraten en bleef in de smalle stegen van de binnenstad. Bij een openbare telefooncel – een van de weinige die nog werkte – stopte ik een paar munten in het apparaat. Ik toetster het nummer van mijn beste vriendin en studiegenoot, Maya. Na vier keer overgaan nam ze op met een schorre, slaperige stem. “Hallo?” “Maya, ik ben het. Evelyn,” zei ik gehaast. “Evelyn? Waarom bel je met een vast nummer? Wat is er aan de hand? Je klinkt alsof je bent overvallen.” “Maya, luister heel goed naar me,” fluisterde ik, terwijl ik voortdurend de straat afspeurde. “Ik heb je hulp nodig. Maar je mag aan niemand vertellen dat ik je heb gebeld. En je mag mijn mobiele telefoon niet bellen.” “Evelyn, je maakt me bang. Wat is er gebeurd?” “Kun je naar de stadsbibliotheek komen? De oude studiezaal op de derde verdieping. Neem je oude, zwarte Dell-laptop mee. Die zonder batterij die alleen op de lader werkt. En breng een schone USB-drive mee.” “Waarom? Evelyn, wat is er gisteravond gebeurd bij dat restaurant?” “Dat vertel ik je zo. Alsjeblieft Maya. Vertrouw me.” Er viel een korte stilte aan de andere kant van de lijn. “Oké. Ik ben er over drie kwartier.” Ik hing de hoorn op en stapte de telefooncel uit. Maar op het moment dat ik de straat weer op stapte, voelde ik een vreemde tinteling in de lucht. Een zwart busje met geblindeerde ramen reed langzaam, stapvoets, de straat in. De snelheid waarmee het busje reed passte totaal niet bij het overige verkeer. Het busje stopte precies tegenover de telefooncel. De schuifdeur van het busje ging met een hard gekras open. Binnenin zat een man met een headset op zijn hoofd en een geavanceerd scherm op zijn schoot. Naast hem zat een van de mannen uit het restaurant. Hij keek me recht aan, glimlachte koud en zei door een megageraat: “Evelyn. Je dacht toch niet echt dat we openbare telefooncellen niet meer in de gaten houden?” Mijn bloed stroomde als ijs door mijn aderen. Ik maakte dat ik wegkwam.
Ik draaide me op mijn hielen om en sprintte de hoek om, een drukke winkelstraat in die langzaam tot leven begon te komen. Achter me hoorde ik het luide gieren van de banden van het zwarte busje dat over het trottoir reed om de hoek te halen. “Aan de kant! Uit de weg!” schreeuwde ik tegen de voorbijgangers die me verbaasd nakeken. Ik ontweek een man met een kinderwagen, dook onder het luifel van een bakkerij door en glipte een smalle doorgang in die naar het binnenplein van een oud winkelcentrum leidde. Het winkelcentrum was een doolhof van roltrappen, glazen winkelpuien en kleine ondergrondse gangen naar de parkeergarage. Ik hoorde de zware voetstappen van minstens twee mannen achter me. Ze waren snel, getraind en lieten zich niet intimideren door de menigte. Ik sprong op een roltrap die naar beneden ging, duwde mezelf langs een paar schreeuwende winkelend publiek en rende de ondergrondse parkeergarage in. De geur van uitlaatgassen en beton sloeg me op de borst. Ik keek wild om me heen. Waar kon ik heen? In de verte zag ik de lichten van een stadsbus die net de ondergrondse halte bij de garage wilde verlaten. Het was lijn 14, de bus naar het industrieterrein. Ik zette al mijn krachten in. De deuren van de bus begonnen al langzaam te sluiten. “Wacht! Wacht alsjeblieft!” gilde ik. De buschauffeur zag me in zijn buitenspiegel en trapte op de rem. De pneumatische deuren zwaaiden weer open. Ik sprong naar binnen, precies op het moment dat de twee mannen in de grijze pakken de parkeergarage binnenstormden. De deuren klapten dicht. De bus trok op en reed het donkere viaduct uit, het felle ochtendlicht in. Via het achterraam van de bus zag ik de twee mannen stilstaan op het asfalt. Een van hen pakte zijn telefoon en begon koortsachtig te praten. Hij keek niet boos; hij keek vastberaden. Ze wisten dat ze me niet kwijt waren. Ze volgden mijn spoor. Ik liet me op een stoel achterin de bus vallen. Mijn borstkas ging snel op en neer. Mijn handen trilden zo erg dat ik het zwarte doosje bijna liet vallen. Ik controleerde het doosje; de zilveren USB-stick en het opgevouwen briefje zaten er nog steeds veilig in. Hoe hadden ze me zo snel gevonden bij die telefooncel? Hadden ze het netwerk van de stad overgenomen? Of… zat er een zender in het doosje? De gedachte sloeg in als een inslag van bliksem. Ik keek naar het zwarte fluwelen doosje. Ik voelde met mijn vingers aan de voering. Ik trok het zwarte schuimrubber eruit. En daar, verborgen onder de onderkant van de uitsparing, zat een piepklein, rood knipperend LED-lampje op een platte, ronde batterij. Een GPS-tracker. “Mijn God,” fluisterde ik tegen mezelf. De gasten uit het restaurant – het stel dat die rekening van vierhonderd dollar had achtergelaten – hadden dit geweten. Of hadden ZIJ de tracker erin gestopt? Nee… het stel wilde dat ik het doosje zou vinden. Maar de mannen in de grijze pakken wisten precies waar het doosje was omdat de tracker een constant signaal uitzond! Ik bedacht me geen seconde. Bij de volgende halte trapte de bus op de rem. Ik pakte de GPS-tracker, peuterde hem met mijn nagels los uit het doosje en liet de zender voorzichtig vallen in de openstaande linnen tas van een oudere dame die net voor me de bus uitstapte. Het was een harde actie, maar het was mijn enige kans om de achtervolgers op een dwaalspoor te brengen. De bus reed door, terwijl de dame met de zender in haar tas een heel andere kant op wandelde. Dertig minuten later kwam ik aan bij de oude stadsbibliotheek. Het was een kolossaal, neogotisch gebouw met hoge ramen, zware eikenhouten deuren en een doolhof van boekenrekken over vijf verdiepingen. Als er één plek was waar ik mezelf kon verstoppen, was het hier. Ik nam de trap naar de derde verdieping, de afdeling geschiedenis en archieven. Het was er doodstil. De geur van oud papier en stof vulde de ruimte. In een afgelegen hoek, achter een rij van metershoge kasten vol encyclopedieën, zat Maya al te wachten. Ze had een grote rugzak bij zich en keek nerveus op haar horloge. “Evelyn!” fluisterde ze toen ze me zag. Ze stond op en sloeg haar armen om me heen. “Je bent lijkbleek. Wat is er in godsnaam aan de hand? De politie—” “Heb je de politie gebeld?” vroeg ik meteen paniekerig, terwijl ik haar bij haar schouders greep. “Nee! Je zei dat ik het aan niemand mocht vertellen. Maar Evelyn, je maakt me doodsbang. Wat is er met je gezicht gebeurd? Je hebt een schaafwond op je wang.” Ik haalde diep adem en ging tegenover haar aan een van de houten studietafels zitten.
De rekening van vierhonderd dollar