DEEL 3 — De vrouw die dood hoorde te zijn
Niemand sprak.
Zelfs de agent die tot dan toe kalm vragen had gesteld, keek Elske langer aan.
“Bedoel je dat je oma in een droom zag?” vroeg hij voorzichtig.
Elske schudde haar hoofd.
“In het park.”
Daan lachte te luid.
“Zie je? Dit is fantasie.”
“Ze gaf me de brief,” zei Elske.
Zijn lach stopte.
Ik ging naast haar zitten. “Vertel me precies wat er gebeurde.”
Drie weken eerder was Marieke met Elske naar muziekles gegaan. Tenminste, dat had Daan mij verteld. Volgens Elske was de les uitgevallen. Marieke had haar bij het park laten wachten terwijl ze “iets ging regelen”.
Daar was een oudere vrouw naast haar op het bankje komen zitten.
Grijze jas.
Donkerblauwe sjaal.
Een litteken bij haar rechterwenkbrauw.
Mijn moeder had precies zo'n litteken gehad sinds ze als kind van haar fiets was gevallen.
“Wat zei ze?”
“Ze vroeg of ik Elske was.”
“En toen?”
“Ze zei dat ik niet bang moest zijn. Ze gaf me een envelop en zei dat ik hem moest verstoppen waar papa nooit keek.”
“Waarom gaf je hem niet aan je moeder?”
Elske keek naar Marieke.
“Omdat oma zei dat mama bang was.”
Marieke begon harder te huilen.
Daan wees naar haar. “Hou hiermee op.”
De agent draaide zich naar hem. “U gaat nu in de woonkamer zitten.”
“Ik ben in mijn eigen huis.”
“Dan kunt u in uw eigen woonkamer gaan zitten.”
Hij ging.
Niet omdat hij wilde, maar omdat hij begreep dat hij de controle kwijt was.
De verzegelde envelop werd voorzichtig geopend. Binnenin zat een handgeschreven brief.
Het handschrift was van mijn moeder.
Ik herkende de lange halen van haar l en de rare manier waarop ze de letter r schreef.
Lieve Noor,
De eerste twee woorden waren genoeg om mijn ogen te laten branden.
De brief vertelde niet alles. Juist dat maakte hem angstaanjagend.
Mijn moeder schreef dat er na haar “verdwijning” bewust een verhaal was gecreëerd dat iedereen moest geloven. Dat Daan bepaalde documenten had gevonden voordat ze die veilig kon stellen. Dat geld voor Elske slechts een klein deel was van wat hij probeerde te controleren.
En toen kwam de zin die alles veranderde:
Als jij dit leest, heeft Daan waarschijnlijk ontdekt dat het huis niet van hem is.
Ik keek om me heen.
Het huis waarin we stonden was het ouderlijk huis. Daan had na mama's overlijden gezegd dat hij het had geërfd. Ik had nooit vragen gesteld. Ik woonde toen in het buitenland en wilde niets met de afwikkeling te maken hebben.
De agent keek naar de notariële akte.
“Wie is juridisch eigenaar?”
Hij las verder.
Toen keek hij naar mij.
“Volgens deze kopie is het eigendom ondergebracht in een stichting.”
“Welke stichting?”
Hij draaide het papier iets.
Stichting E.V.
Elske van Vliet.
Mijn nichtje.
Daan had jarenlang geleefd in een huis dat uiteindelijk voor zijn eigen dochter was bestemd.
Maar waarom had mama haar dood in scène moeten zetten?
Die vraag bleef hangen.
Marieke kwam langzaam naast me staan.
“Ik dacht dat ze echt dood was,” fluisterde ze.
“Wanneer ontdekte je dat dat niet zo was?”
“Zes maanden geleden.”
Daan schoot overeind vanuit de woonkamer.
“Marieke!”
“Zes maanden?” vroeg ik.
Ze knikte.
“Ze belde me. Eén keer. Ze zei dat ik Elske moest beschermen en dat ik niets tegen Daan mocht zeggen.”
“Maar je zei niets tegen mij.”
“Ik wist niet wie ik kon vertrouwen.”
Dat deed pijn, maar ik kon haar angst zien.
“Waarom was Elske bang om wakker te worden?”
Marieke keek naar haar dochter.
“Daan dacht dat ze slaapwandelde.”
“Wat?”
“Ze hoorde hem 's nachts bellen. Over de rekening. Over de stichting. Over jouw terugkeer.”
Mijn terugkeer.
Ik was niet toevallig in dit huis beland.
Mijn woning had waterschade gekregen nadat een leiding in het appartement boven mij was gesprongen. Daan had dezelfde avond gebeld en aangeboden dat ik bij hem kon blijven.
“Waarom wilde hij mij hier?” vroeg ik.
Marieke keek naar de verzegelde brief.
“Omdat hij dacht dat jij iets had wat hij nodig had.”
“Wat dan?”
Ze wees naar de foto.
De onbekende man naast mijn moeder.
Ik keek opnieuw.
Er was iets aan zijn gezicht. Niet vertrouwd, maar ook niet volledig vreemd.
“Wie is hij?”
Marieke antwoordde niet.
Elske wel.
“De man uit oma's auto.”
Mijn hoofd schoot naar haar toe.
“Heb je hem ook gezien?”
“Ja. Hij wachtte aan de overkant.”
“Leeft hij?”
Elske knikte.
De agent vroeg of ze de auto kon beschrijven. Donker, groot, geen opvallende kenmerken. Maar ze had iets anders onthouden.
“Hij noemde oma niet bij haar naam.”
“Hoe dan?”
Elske dacht na.
“Hij zei: mevrouw De Winter.”
Mijn moeders achternaam was Van Vliet.
De Winter betekende niets voor mij.
Tot mijn telefoon begon te trillen.
Onbekend nummer.
Iedereen keek.
Ik nam op.
Een vrouwenstem zei:
“Noor, luister goed. Je broer mag de foto niet meenemen.”
Mijn adem stokte.
Ik kende die stem.
Ouder.
Zachter.
Maar ik kende haar.
“Mama?”
Aan de andere kant bleef het twee seconden stil.
Toen zei ze:
“Als Daan weet wie de man op die foto is, ben jij de volgende die alles kwijtraakt.”
De verbinding werd verbroken.
En vanuit de woonkamer klonk ineens Daans stem:
“Vraag haar dan wie je echte vader is.”