Deel 3: Het geheim achter de havenfoto
Christopher stuurde Wallace naar beneden en bleef zelf in de deuropening staan. ‘Wat zei hij?’ vroeg hij. Ik hield mijn gezicht zo neutraal mogelijk. ‘Hij probeerde te hoesten.’
‘Ik hoorde een woord.’
‘Dan hebt u beter gehoord dan ik.’
Hij keek lang naar Raymond, die inmiddels weer bewegingloos lag. Daarna kondigde hij aan dat de verpleegkundige van een extern bureau de volgende ochtend mijn taken zou overnemen. Ik kreeg tot acht uur om mijn spullen te pakken. Toen hij weg was, voelde ik mijn knieën trillen. Niet vanwege de dreiging van ontslag, maar omdat hij voor het eerst had gehoord dat zijn oom kon spreken.
Ik belde Elise vanuit de badkamer. Ze drong erop aan dat ik bij nieuwe ademhalingsproblemen onmiddellijk de hulpdiensten zou bellen. Ze had intussen contact gehad met een arts die onafhankelijk patiënten kon beoordelen, maar zonder toegang tot Raymond of toestemming van de bevoegde persoon kon ze geen wonderen verrichten. Ik vertelde haar dat Raymond zelf instemde en dat de familie hem afzonderde. ‘Leg vast wat je hebt waargenomen,’ zei ze. ‘En houd de veiligheid van je kind voorop.’
Die avond vond ik in de wasruimte een oud personeelsrooster. Raymond had vóór zijn ziekte een vaste huishoudster gehad, mevrouw Helen Brooks. Haar naam was zes weken geleden doorgestreept. Achter haar laatste werkdag stond met potlood: ‘Vertrokken na incident kantoor.’ Ik herinnerde me hoe Christopher bij mijn sollicitatie had gezegd dat de vorige huishoudster ‘niet met vertrouwelijke zaken kon omgaan’. In een la lag nog een mapje met contactnummers voor noodgevallen. Helen stond ertussen.
Ik belde haar vanaf een prepaidtelefoon die ik voor noodgevallen bewaarde. Ze nam pas na de vierde keer op. Toen ik zei dat ik voor Raymond zorgde, werd ze stil. ‘Is hij dood?’ vroeg ze. Ik zei dat hij leefde en dat ik vermoedens had over zijn behandeling. Helen begon zacht te huilen.
‘Hij was gezond genoeg om me te ontslaan,’ zei ze. ‘Dat hebben ze beweerd. Maar op de avond voordat ik wegging, hoorde ik hem ruzie maken met Christopher over de vrachtcontracten. Raymond wilde de boeken laten controleren. De volgende ochtend kreeg hij zijn eerste aanval. Een week later mocht niemand van het personeel nog zonder toestemming naar zijn kamer.’
‘Weet u iets van een kluis of een opname?’
‘Raymond bewaarde geen vertrouwelijke documenten in zijn slaapkamer. In zijn werkkamer hing een foto van de oude haven. Achter die lijst zat een klein paneel. Ik heb hem het ooit zien openen.’
Ik bedankte haar en vroeg of ze bereid was later met een rechercheur te spreken. ‘Als iemand eindelijk luistert,’ antwoordde ze.
De volgende ochtend werd ik om zes uur gewekt door Theodore. Zijn koorts was gezakt. Terwijl ik hem aankleedde, hoorde ik beneden stemmen. Christopher had twee mannen van een verhuisbedrijf laten komen om de spullen uit Raymonds werkkamer te halen. De map met de verdachte handtekening lag al in een doos. Ik moest kiezen tussen onmiddellijk vertrekken en proberen te voorkomen dat alles verdween.
Ik zette Theodore in zijn kinderwagen en reed hem naar de keuken, waar de kokkin, Marta, net brood sneed. Zij was een van de weinigen die vriendelijk tegen me was geweest. Ik vertelde haar niet het hele verhaal, alleen dat ik iets belangrijks moest controleren en vroeg of ze vijf minuten bij Theodore wilde blijven. Ze keek naar de trap en knikte.
In de werkkamer hing de havenfoto nog. Ik schoof de lijst opzij en vond inderdaad een smal paneel. Er zat een codeslot achter. Ik wist geen code. Op het bureau lag een koperen presse-papier in de vorm van een vrachtschip. Op de onderkant was een datum gegraveerd: 14-06-2008, de oprichtingsdatum van Raymonds eerste bedrijf. Ik probeerde de acht cijfers. Het slot klikte.
Binnen lag geen stapel goud of testament. Er lag een klein digitaal opnameapparaat, een verzegelde envelop met de naam van advocaat Judith Mercer en een reservebatterij. Ik stopte alles in de luiertas, zette de lijst terug en liep de gang op. Daar stond Marta met Theodore. Ze zag mijn gezicht en begreep dat er iets mis was.
‘Christopher heeft de voordeur laten afsluiten,’ fluisterde ze. ‘Hij zegt dat jij bedrijfspapieren hebt gestolen.’
In de gang bleef ik even staan bij de foto van Raymond met een groep chauffeurs voor een oude vrachtwagen. Hun jassen waren nat van de regen en iedereen lachte. Op het koperen plaatje stond de datum van de eerste bedrijfsopening. Die foto maakte de man boven in het bed plotseling tastbaar: hij was ooit iemand geweest die met zijn eigen handen een bedrijf had opgebouwd. Nu moest hij luisteren hoe anderen over zijn bezit spraken alsof hij al verdwenen was.
Helen vertelde me tijdens ons gesprek nog iets over de dag waarop ze vertrok. Ze had Christopher gevraagd waarom het personeel Raymond niet meer mocht bezoeken. Hij had gezegd dat bezoek zijn herstel zou vertragen, terwijl Wallace later tegen haar had gezegd dat er geen herstel meer mogelijk was. ‘Twee verschillende verhalen op dezelfde middag,’ zei ze. ‘Ik had toen al moeten begrijpen dat er iets niet klopte.’ Ik vroeg haar zichzelf niet de schuld te geven. Ook ik had dagenlang gedacht dat ik slechts een stervende man verzorgde.
Marta liet me later weten dat de kok en de tuinman afzonderlijk waren geïnstrueerd geen vragen te beantwoorden als er mensen van buiten kwamen. Dat kon een privacymaatregel zijn, maar de dreigende toon van Christopher maakte het verdacht. Ik nam me voor geen conclusies te trekken die ik niet kon bewijzen. Als ik één ding had geleerd van mijn eerdere werk in de zorg, was het dat nauwkeurige observaties sterker zijn dan grote beschuldigingen.
Ik hoorde zware voetstappen op de trap. Een van de verhuizers verscheen, gevolgd door Christopher. Hij hield mijn telefoon omhoog. ‘Je hebt iemand gebeld die hier niet thuishoort,’ zei hij. ‘Geef de tas maar aan mij.’
Theodore begon te huilen. Ik trok de kinderwagen naar me toe en zei dat ik mijn advocaat wilde spreken. Christopher lachte kort. ‘Met welk geld?’
Toen kwam van boven, vanuit Raymonds kamer, het luide alarm van de zuurstofmonitor. Iedereen draaide zich om. Christopher bleef één seconde te lang staan. Daarna rende hij de trap op, terwijl ik met mijn zoon en de tas naar de achterdeur ging. Ik wist dat ik nu niet meer alleen getuige was. Ik had iets meegenomen waar Christopher bang voor was, en hij wist het.