Even stilte.
‘Natuurlijk.’
Daarna kwam de echte zin.
‘Lars kent iemand die interesse heeft.’
Ik keek door het raam van mijn kantoor naar de natte fietsen beneden.
‘Voor hoeveel?’
‘Rond drie ton.’
‘Voor alles?’
‘Het is buitengebied.’
‘Dat weet ik.’
Ik werkte in de bouw.
Ik wist ook dat grondprijzen zelden toevallig worden genoemd door mensen die hun geld verdienen aan vastgoed.
‘Stuur de gegevens maar.’
‘Waarom?’
‘Omdat ik ze wil zien.’
Haar toon veranderde.
Niet boos.
Kouder.
‘Je bent ineens behoorlijk betrokken.’
‘Het is grond van onze moeder.’
‘Precies. Onze moeder. Niet jouw project.’
Die avond belde ik mam.
Geen antwoord.
Tien minuten later kwam er een bericht.
Maak je geen zorgen jongen. Ik ga vroeg slapen. Liefs mama.
Ik las het drie keer.
Daarna belde ik opnieuw.
Geen antwoord.
Noor zat tegenover me aan tafel.
‘Wat is er?’
Ik draaide mijn telefoon naar haar toe.
Ze las het.
‘Klinkt toch normaal?’
‘Nee.’
‘Waarom niet?’
‘Mijn moeder noemt me nooit jongen.’
Noor haalde haar schouders op.
Toen wees ik naar het einde.
‘En ze schrijft nooit “liefs mama”. Ze sluit berichten af met haar voornaam.’
Noor keek nog een keer.
‘Misschien heeft Vivienne het gestuurd.’
‘Dat is precies het probleem.’
De volgende ochtend reed ik naar Breukelen.
Vivienne was thuis.
Mijn moeder niet.
‘Waar is ze?’
Mijn zus bleef in de deuropening staan.
‘Bij een vriendin.’
‘Welke vriendin?’
‘Ria.’
‘Ria woont in Groningen.’
Nu knipperde ze.
Een fractie van een seconde.
Daarna herstelde ze zich.
‘Dan heb ik de naam verkeerd.’
‘Je weet niet bij wie onze moeder is?’
‘Doe normaal, Maarten.’
Dat was Viviennes favoriete zin wanneer een gesprek op een plek kwam waar ze niet wilde zijn.
Doe normaal.
In onze familie betekende het meestal: stel geen tweede vraag.
Ik deed het toch.
‘Geef haar nummer.’
‘Ze heeft haar telefoon hier laten liggen.’
‘Waar is ze?’
Lars verscheen achter haar.
Hij droeg een overhemd zonder das en hield een mok koffie vast.
‘Er is niets aan de hand.’
‘Dan kun je me vertellen waar ze is.’
Hij keek naar Vivienne.
Niet naar mij.
Dat was het tweede moment waarop ik beter had moeten kijken.
‘Je moeder wilde rust,’ zei hij.
‘Waar?’
‘Maarten,’ zei Vivienne scherp. ‘Je maakt alles groter dan het is.’
Ik keek langs haar de hal in.
Op het bankje bij de trap stond de bruine leren handtas van mijn moeder.
Daarin zaten altijd haar portemonnee, leesbril en medicijnen.
Altijd.
‘Ze is zonder tas weg?’
Vivienne volgde mijn blik.
‘Ze is opgehaald.’
‘Door wie?’
‘Ga weg.’
Geen uitleg meer.
Alleen dat.
Ik reed terug naar Utrecht, maar kwam niet verder dan Maarssen.
Daar parkeerde ik bij een benzinestation.
Mijn handen lagen op het stuur.
Voor mij trokken vrachtwagens natte strepen over het asfalt.
Toen dacht ik aan iets wat mijn moeder twee weken eerder had gezegd.
We hadden kort gebeld.
Ze klonk gehaast.
‘Weet jij nog waar je vader de reservesleutel van de oude schuur bewaarde?’
‘Onder de losse steen bij de regenpijp.’
Ze had niets meer gezegd.
Destijds leek het onbelangrijk.
Nu niet.
Ik draaide om.
De oude grond lag aan een smalle weg buiten Culemborg, tussen sloten, kale populieren en percelen die in augustus nog groen hoorden te zijn maar door weken droogte geel waren geworden.
De laatste kilometers begon het te regenen.
Toen ik het hek naderde, zag ik bandensporen in de berm.
Verse sporen.
Het hangslot hing open.
Mijn maag trok samen.
Ik reed het erf op.
De oude woning stond donker achter de bomen.
De schuurdeur was open.