DEEL 10 — EMMA’S HOCKEYWEDSTRIJD
Jeroen kwam iedere zaterdag naar hockey.
Eerste keer stond hij helemaal achter hek.
Emma had gezegd:
‘Kijken. Niet praten.’
Hij hield zich eraan.
Tweede keer mocht hij na afloop vragen:
‘Goed gespeeld?’
Derde keer gaf ze hem bidon.
Herstel in centimeters.
Op een zaterdag verloor haar team met 8-1.
Emma stapte boos auto in.
Jeroen zat voorin omdat ik had toegestaan dat hij mee terugreed.
‘Scheids was blind.’
‘Emma,’ zei ik.
‘Was zo.’
Jeroen zei:
‘Je liet wel mooi zien dat je niet opgaf.’
Emma:
‘Dat zeggen verliezers.’
Ik keek achterom.
‘Gezellig gezin.’
Emma zuchtte.
Tien minuten later vroeg ze:
‘Pap, word jij steeds zieker?’
Jeroen keek via spiegel.
‘Waarschijnlijk verandert ziekte langzaam in de tijd.’
‘Wanneer?’
‘Dat weet niemand precies.’
‘Ga je trillen op mijn middelbare school diploma?’
Mijn keel trok.
Jeroen glimlachte verdrietig.
‘Misschien een beetje.’
‘Dan hou je diploma met twee handen vast.’
Hij begon te huilen.
Emma rolde ogen.
‘Niet meteen huilen.’
‘Sorry.’
‘Mag wel. Is alleen irritant.’
Daarna:
‘Kom je dan wel?’
‘Waar?’
‘Diploma.’
Hij keek.
‘Als ik kan lopen, kruipen of rollen.’
‘Niet dramatisch.’
‘Ik kom.’
‘Beloofd?’
Jeroen ademde.
Ik zag aarzeling.
Niet omdat hij niet wilde.
Omdat hij eindelijk begreep dat beloften aan toekomst onzeker zijn.
‘Ik beloof dat ik alles doe om er te zijn. En als ik echt niet kan, zal ik je waarheid vertellen waarom.’
Emma dacht.
‘Beter.’
Dat was nieuw soort belofte.
Niet zekerheid.
Eerlijkheid.