Wat een oplossing had moeten zijn voor het gezin, sloeg bij mij om in een diepe, verlammende angst. Ik was altijd al doodsbang geweest voor medische ingrepen, ziekenhuizen en narcose. De gedachte dat er onder narcose stamcellen uit mijn bekkenbeenderen gehaald zouden worden, veroorzaakte paniekaanvallen.
Bovendien was mijn relatie met Daan nooit gemakkelijk geweest. Hij keerde zich vaak tegen mij, miste zijn biologische moeder en liet bij elke gelegenheid merken dat ik "niet zijn echte moeder" was. In mijn hoofd begon een duistere, egoïstische stem te spreken: Waarom zou ik mijn eigen gezondheid riskeren voor een kind dat mij nooit geaccepteerd heeft?
Toen Mark me met betraande ogen smeekte om de procedure door te zetten, sloeg de vlam in de pan.
"Ik doe het niet," zei ik koud terwijl we in de gang van het ziekenhuis stonden. "Ik riskeer mijn gezondheid niet voor een kind dat niet eens van mij is."
Mark zei niets. Hij keek me aan alsof hij een vreemde zag. Geen geschreeuw, geen ruzie, alleen een snijdende stilte. Ik liep naar huis, pakte een tas en vertrok naar een hotel aan de andere kant van de stad.
De dagen die volgden waren stil. Mark belde niet, schreef niet... Geen enkel bericht. Ik dacht dat hij zeker bezig was met het redden van zijn zoon, hopend dat de artsen een andere oplossing zouden vinden. Mijn schuldgevoel vrat aan me, maar mijn trots en angst hielden me tegen om zelf contact op te nemen.
De Schokkende Terugkeer
Twee weken later besloot ik dat het tijd was om naar huis te gaan. Ik wilde de confrontatie aangaan en zien hoe de vlag erbij hing.
Toen ik de sleutel in het slot van de voordeur stak en de hal in stapte, was het doodstil. Er hing een vreemde, muffe lucht in huis. Mijn maag kromp ineen toen ik de kamer binnenliep.
De woning was vrijwel leeggehaald. Al de persoonlijke spullen van Mark en Daan waren verdwenen. Op de salontafel lag enkel een grote, witte enveloppe met mijn naam erop in het handschrift van Mark, met daarbovenop zijn trouwring.