“Nou vooruit… zullen we dan een kaartje leggen?”
“Nee hoor. Heb ik één keer gedaan, vond ik helemaal niks. Dat doe ik nooit meer.”
De man begint inmiddels nieuwsgierig te worden.
“Goed… misschien een potje biljart dan? Daar knapt iedereen van op.”
“Nee, bedankt. Eén keer geprobeerd, maar dat was ook meteen de laatste keer.”
De eerste man fronst zijn wenkbrauwen.
“Nou zeg, u lijkt wel overal op uitgekeken.”
“Ach,” zegt de ander, “als u even geduld hebt… mijn zoon komt zo. Misschien wil híj wel een potje biljarten.”
Waarop de eerste man droog antwoordt:
“Uw enige zoon zeker?“
Pages: 1 2