Mijn achtjarige dochter vocht tegen een hersentumor toen haar stiefmoeder keukenafval over haar kaalgeschoren hoofd gooide omdat ze na de chemotherapie had overgegeven. Terwijl etensresten aan het verband kleefden, zei mijn vrouw: ‘Wie er een rotzooi van maakt, mag hem dragen.’ Toen Noor mijn hand vastgreep en fluisterde dat ze had gewacht tot de verpleegkundige weg was, begreep ik dat dit geen woede-uitbarsting was. Het was gepland.

‘Ja.’

De volgende ochtend bevestigde de politie dat Marieke voorlopig elders verbleef. Er kwam geen onmiddellijk huisverbod, omdat ze vrijwillig bij haar zus in Hilversum was gaan slapen, maar ze kreeg het dringende advies geen contact met Noor te zoeken. Mijn advocaat diende diezelfde dag een verzoek in voor voorlopige voorzieningen bij de rechtbank.

Marieke stuurde ondertussen berichten in onze familiegroep.

Ze schreef dat ze na maanden mantelzorg één fout had gemaakt. Dat ik die fout gebruikte om haar uit haar eigen huis te zetten. Dat niemand wist hoe manipulatief een ernstig ziek kind kon worden wanneer het voortdurend aandacht kreeg.

Mijn schoonzus Ria reageerde met een hartje.

Mijn broer Daan belde mij rechtstreeks.

‘Ik heb de foto’s gezien,’ zei hij.

‘Hoe?’

‘Marieke stuurde er één. Ze dacht blijkbaar dat het haar verhaal hielp.’

Ik sloot mijn ogen.

‘Wat heeft ze erbij geschreven?’

‘Dat het om wat groenteafval ging.’

‘Er zat bedorven vleeswaren in.’

‘Dat maakt voor mij weinig verschil, Sanne.’

Even hoorde ik alleen het zachte gezoem van de ziekenhuisventilatie.

‘Heb je iets nodig?’ vroeg hij.

‘Ja. Ga naar mijn huis. De politie laat je binnen. In de la onder de printer ligt een blauw zorgschrift. Neem ook Noors oude tablet mee. Die staat meestal op het aanrecht als muziekspeler.’

‘Waarom die tablet?’

Ik keek naar Noor, die met een pedagogisch medewerker een legpuzzel maakte.

‘Omdat er een camera-app op staat.’

Die tablet was vier jaar oud. Het scherm had een barst in de linkerhoek. Na Noors operatie hadden we hem gekoppeld aan een kleine camera in de keuken, zodat ze mij vanuit haar bed kon roepen wanneer ik boven werkte.

Marieke had erop aangedrongen de camera later uit te zetten.

‘Ze moet zich niet voortdurend patiënt voelen,’ had ze gezegd.

Ik had dat redelijk gevonden.

Daan bracht die middag het zorgschrift, de tablet en een boodschappentas met kleding. De camera-app stond nog geïnstalleerd, maar de opgeslagen beelden leken gewist.

‘Niets aanklikken,’ zei ik.

‘Dat heb ik niet gedaan.’

Op mijn werk onderzocht ik geldstromen, toegangslogboeken en digitale fraude. Ik wist dat verwijderd zelden verdwenen betekende. De tablet synchroniseerde automatisch met mijn opslagaccount, zolang hij verbinding had met wifi.

Ik opende de prullenbak van de clouddienst.

Er stonden zevenentwintig videofragmenten in.

De oudste opname was van zes weken eerder.

Op het scherm zat Noor aan de keukentafel met een bord pap voor zich. Marieke stond achter haar, buiten beeld.

‘Nog drie happen,’ hoorde ik.

‘Ik ben misselijk.’

‘Drie.’

‘Dan moet ik overgeven.’

‘Als je overgeeft, ruim je het zelf op.’

Noor nam een hap. Haar schouders trokken samen.

Het volgende fragment begon twintig minuten later. Noor zat op haar knieën met een doek in haar hand. Marieke filmde haar met haar telefoon.

‘Kijk naar mij,’ zei ze. ‘Zeg dat je mama vandaag weer niet thuis is.’

‘Mama werkt boven.’

‘Dat ziet niemand op de video.’

Noor zweeg.

‘Zeg het.’

‘Mama is niet thuis.’

Ik zette het fragment stil.

Daan zat naast me in de familiekamer van het ziekenhuis. Zijn gezicht was grauw.

‘Waarom filmde ze dat?’

Ik wist het antwoord nog niet.

Bij het elfde fragment werd het duidelijker.

Marieke zat zelf aan tafel en sprak met iemand via de luidspreker.

‘Zolang Sanne blijft werken, ben ik degene die de zorg doet,’ zei ze. ‘Mensen doneren voor het verhaal. Een alleenstaande verzorger met een ziek kind werkt beter dan een bankmedewerker met een goed salaris.’

Een vrouwenstem antwoordde: ‘Maar Sanne kan de rekening toch zien?’

‘Niet die rekening.’

Ik dacht aan de inzamelingsactie die Marieke drie maanden eerder had opgezet. Ze zei dat vrienden geld wilden geven voor reiskosten, extra fysiotherapie en een vakantie zodra Noor sterk genoeg was.

Ik had bezwaar gemaakt.

‘We kunnen de behandeling betalen,’ had ik gezegd.

‘Het gaat om betrokkenheid,’ antwoordde Marieke. ‘Mensen willen iets doen.’

De actie had volgens haar ongeveer elfduizend euro opgebracht. Ik had nooit gevraagd om een overzicht.

In het videofragment schoof Marieke een map over tafel. Op de voorkant stond de naam van haar bedrijf: Studio Vos Interieur.

‘De facturen zijn gewoon zakelijke kosten,’ zei ze. ‘Niemand controleert of een aangepaste kinderkamer werkelijk twaalfduizend euro kost.’

Daan keek naar mij.

‘Hoeveel staat er op die rekening?’

‘Dat ga ik uitzoeken.’

De laatste opname was van die ochtend.

Esther liep via de achterdeur naar buiten. Marieke wachtte tot de deur dichtviel en draaide het slot om. Daarna keek ze recht naar de camera.

Ze dacht zichtbaar na.

Toen trok ze de stekker eruit.

De opname liep door, omdat de camera een interne accu had.

Noor kwam de keuken in. Ze hield één hand voor haar mond. Marieke zette haar telefoon tegen een fruitschaal en drukte op opnemen.

‘Vandaag doen we het opnieuw,’ zei ze. ‘Je vertelt dat de medicijnen niet aanslaan en dat je moeder bijna nooit thuis is.’

‘Maar dokter Van Leeuwen zei dat de foto beter was.’

Marieke verstijfde.

Ik ook.

Wij hadden nog geen uitslag van de nieuwe hersenscan gekregen.

‘Dat heb je verkeerd gehoord,’ zei Marieke.

‘Ik zag het op de tablet.’

‘Jij mag niet in het patiëntendossier kijken.’

‘Er stond dat ze niks nieuws zagen.’

Marieke pakte haar telefoon.

‘Zeg gewoon wat ik je heb uitgelegd.’

Noor schudde haar hoofd.

‘Ik wil niet liegen.’

‘Het is geen liegen. Het geld is voor jouw herstel.’

‘Mama zegt dat we geen geld nodig hebben.’

Daarna boog Noor voorover en gaf over naast de tafel.