DEEL 2 — DE OPNAME OM 01.14 UUR
Ik had die opname het liefst meteen volledig afgespeeld.
Maar de verpleegkundige kwam terug.
‘Mevrouw Van Leeuwen?’
‘Ja?’
‘De kinderarts is onderweg. De politie ook. We willen Sophie eerst comfortabel krijgen.’
Dat trok me terug naar enige persoon die werkelijk telde.
Mijn dochter.
Niet Gerda.
Niet Christiaan.
Niet wat er in die opname zat.
Sophie.
Ze kreeg pijnstilling.
De kinderarts legde mij uit dat het metalen fragment waarschijnlijk onder korte sedatie verwijderd moest worden omdat het ontstoken weefsel eromheen zat.
‘Is het gevaarlijk?’
‘Op dit moment zien we geen aanwijzingen voor schade aan belangrijke structuren. Maar ontsteking moet worden behandeld.’
Ik knikte.
‘Doe wat nodig is.’
‘Wij documenteren de andere plekken ook.’
Die zin deed pijn.
Documenteren.
Alsof het lichaam van mijn kind bewijs was geworden.
Een gespecialiseerde verpleegkundige maakte foto’s.
Rustig.
Met mijn toestemming.
Zonder Sophie onnodig bloot te stellen.
Sophie mocht op mijn schoot blijven.
Bij iedere aanraking vroeg men het eerst.
‘Mag ik hier kijken?’
‘Mag ik je arm even bewegen?’
Zo anders dan haar angst.
Ik bleef maar denken:
Hoe lang?
Hoe lang had mijn kind leren geloven dat aanraking zonder toestemming normaal was?
Een agent en een vrouwelijke rechercheur arriveerden.
Zij stelden mij eerst apart een paar feitelijke vragen.
Wie woont thuis?
Wie zorgt voor Sophie?
Wie had recent alleen contact met haar?
Gerda logeerde bij ons.
Christiaan en ik werkten.
Sophie ging drie dagen naar kinderopvang.
Mijn moeder paste iedere vrijdag op.
Gerda had de afgelopen weken aangeboden haar ‘wat vaker’ op te halen.
Ik had dat zelfs prettig gevonden.
‘Ze vindt het leuk eindelijk oma te kunnen zijn,’ had Christiaan gezegd.
Ik wilde overgeven.
‘Heeft Sophie eerder iets gezegd?’
vroeg rechercheur Van Houten.
‘Ze wilde niet meer dat Gerda haar naar bed bracht.’
‘Wanneer?’
‘Ongeveer twee weken geleden.’
‘Wat zei ze?’
‘Alleen: “oma is boos”.’
‘En u?’
Ik slikte.
‘Ik dacht dat Gerda streng was geweest over speelgoed opruimen.’
Geen rechercheur beschuldigde me.
Ik deed het zelf al genoeg.
‘U kunt niet weten wat een kind niet vertelt,’ zei Van Houten.
Ik knikte, maar die zin bereikte mijn schuldgevoel nog niet.
Ik liet haar de opname zien.
‘Dit is van vannacht.’
Ze nam telefoon niet zomaar aan.
‘Mag ik hem bekijken?’
‘Ja.’
We luisterden.
01.09 uur.
Gerda:
‘Wat heb je uit papa’s kamer?’
Sophie:
‘Geel papiertje.’
Gerda:
‘Waar is het?’
Geritsel.
Sophie:
‘Onder Beer.’
‘Geef.’
‘Nee, van papa.’
‘Sophie.’
Daarna het geluid van kleine voeten.
Een zachte bons.
Mijn hart bonkte.
Gerda:
‘Kom hier.’
Sophie begon te huilen.
‘Mama.’
‘Mama slaapt.’
‘Papa.’
‘Ook.’
Daarna:
‘Je gaat dit niet verpesten.’
De rechercheur keek mij aan.
Ik drukte volgende fragment.
01.14 uur.
Een deur.
Christiaans stem.
Mijn hele lichaam bevroor.
‘Mam, wat doe je?’
Gerda:
‘Ze zat weer in jouw kantoor.’
Christiaan:
‘Wat heeft ze?’
‘Die gele map.’
Een stilte.
Christiaan vloekte.
‘Waar?’
‘Ik heb hem.’
Sophie huilde op achtergrond.
Christiaan:
‘Waarom huilt ze zo?’
Gerda:
‘Ze viel tegen het bankje.’
Christiaan:
‘Laat me kijken.’
Sophie gilde:
‘Niet!’
Toen iets wat mijn huwelijk in één seconde verbrijzelde.
Christiaan zei:
‘Verdomme, mam. Ik heb gezegd: geen plekken meer waar Cassandra ze kan zien.’
De rechercheur stopte bestand.
‘Mevrouw?’
Ik kon niet praten.
Ze liet me tijd.
‘Wilt u doorgaan?’
Ik knikte.
De opname speelde verder.
Gerda:
‘Als jij haar beter onder controle hield, hoefde ik niets te doen.’
Christiaan:
‘Hou je stem laag.’
Gerda:
‘Ze is drie.’
‘Precies. Dus je maakt haar niet bang genoeg dat ze overal over praat.’
Mijn zicht werd zwart aan randen.
Ik greep tafel.
Rechercheur Van Houten:
‘Wilt u stoppen?’
‘Nee.’
Mijn stem klonk vreemd.
‘Alles.’
Op opname hoorde ik Sophie snikken.
Christiaan:
‘Waar is map?’
Gerda:
‘Hier.’
Papier.
Gerda:
‘Heeft Cassandra die volmacht nou al getekend?’
Christiaan:
‘Nee.’
‘Waarom niet?’
‘Omdat ze steeds zegt dat ze hem eerst met haar eigen notaris wil bespreken.’
Mijn adem stokte.
Volmacht.
Drie weken eerder had Christiaan mij gevraagd een notariële volmacht te tekenen.
Voor ‘noodgevallen’.
Hij zei dat wij met kind en woning praktische zaken beter moesten regelen.
‘Als jij in ziekenhuis ligt, kan ik anders niks met beleggingen of bankzaken,’ had hij gezegd.
Ik had afspraak bij mijn eigen notaris gepland.
Volgende week.
Gerda op opname:
‘Je bedrijf heeft geen volgende maand.’
Christiaan:
‘Dat weet ik.’
De rechercheur en ik keken elkaar aan.
Gerda:
‘Als ze die rekening beschikbaar stelt, is het opgelost.’
Christiaan:
‘Het is háár geld.’
‘Jullie zijn getrouwd.’
‘Onder voorwaarden.’
‘Dan had je slimmer moeten trouwen.’
Geritsel.
Christiaan:
‘Ik ga haar niet bestelen.’
Gerda:
‘Nee. Je laat haar tekenen.’
‘En als ze nee zegt?’
‘Dan vertel je eindelijk hoeveel schuld je hebt en kun je alles verliezen.’
Stilte.
Toen Christiaan:
‘Ze mag niks weten voordat die kredietlijn rond is.’
Daar was tweede leugen.
Mijn man had niet alleen geweten dat zijn moeder mijn kind angst aanjoeg.
Zijn succesvolle consultancybedrijf — het bedrijf waarvoor hij zogenaamd morgenochtend die ‘gigantische presentatie’ had — zat blijkbaar diep in financiële problemen.
En hij wilde een volmacht op mijn privévermogen.
Ik had uit nalatenschap van mijn grootvader ongeveer €640.000 in beleggingen.
Voorhuwelijks vermogen.
Altijd apart gehouden.
Christiaan had jarenlang gezegd dat hij trots was dat ik financieel zelfstandig was.
Blijkbaar zag zijn moeder die zelfstandigheid vooral als noodkrediet.
De opname ging door.
Sophie:
‘Mama.’
Christiaan, zachter:
‘Ssst. Terug naar bed.’
Gerda:
‘En die map?’
Christiaan:
‘Ik neem hem.’
‘Ze heeft hem al gezien.’
‘Ze kan niet lezen.’
Gerda lachte.
‘Gelukkig maar.’
De opname eindigde.
Ik zat volkomen stil.
Rechercheur Van Houten zei:
‘Wij willen uw telefoon veiligstellen of de bestanden forensisch laten kopiëren. U houdt uiteraard uw toestel indien technisch mogelijk; we maken officiële kopieën.’
Ik knikte.
‘Doe wat nodig is.’
Toen ging deur open.
De verpleegkundige.
‘Sophie mag zo naar behandeling.’
Ik stond onmiddellijk op.
Alles over geld verdween weer.
Mijn kind eerst.
Altijd.
Maar toen ik langs gang liep, zag ik Gerda niet meer.
‘Waar is mijn schoonmoeder?’
Een beveiliger zei:
‘De politie spreekt haar buiten.’
Ik keek naar glazen deuren.
Gerda zat in een politieauto.
Niet geboeid.
Niet schreeuwend.
Alleen heel stil.
En voor het eerst sinds ik haar kende zag ze er niet uit als vrouw die altijd wist wat iedereen moest doen.
Ze zag eruit als iemand die begreep dat haar versie van het verhaal niet langer de enige was.