DEEL 7 — Het eerste verraad tussen moeder en zoon
Bram en Marleen hielden het drie weken vol als een front.
Daarna begon het scheuren.
Eerst via advocaten.
Marleen verklaarde dat Bram haar had voorgelogen over het middel. Hij zou hebben gezegd dat het een ‘milde ondersteuning’ was, voorgeschreven door een alternatieve arts. Zij zou niets hebben geweten van de levensverzekering.
Bram verklaarde op zijn beurt dat Marleen geobsedeerd was door mijn vermeende slechte moederschap. Zij zou uit zichzelf middelen hebben toegediend omdat zij geloofde dat ik Lotte ‘emotioneel beschadigde’. De verzekering was volgens hem een normale familiebescherming.
Moeder en zoon duwden de giftige beker nu naar elkaar toe.
Rechercheur Smit noemde het zakelijk:
‘Hun belangen lopen uiteen.’
Femke noemde het beter:
‘Ratten op een zinkend dienblad.’
Iris vond dat geen juridische term, maar noteerde hem toch op een memoblaadje.
De breuk werd definitief toen de politie een geluidsopname vond op Brams telefoon.
Hij had zijn moeder opgenomen.
Waarschijnlijk uit voorzorg.
In het gesprek zei Marleen:
Als ze deze maand nog zo zwak blijft, moet de arts eindelijk iets ernstigs noteren. Zonder diagnose gaat de verzekeraar vragen stellen.
Bram antwoordde:
Ik regel de afspraak. Jij zorgt dat ze blijft drinken.
Marleen:
Ze vertrouwt mij. Dat doet ze altijd. Ze wil zo graag dat ik haar aardig vind.
Ik luisterde naar de opname één keer.
Daarna vroeg ik Eva hem uit te zetten.
Niet omdat ik de waarheid niet aankon.
Omdat die ene zin te precies was.
Ze wil zo graag dat ik haar aardig vind.
Dat was de kern van jaren.
Ik had inderdaad gewild dat Marleen mij aardig vond.
Omdat Bram daar rustiger van werd.
Omdat Lotte dan een oma had.
Omdat ik dacht dat familie iets was waar je voor moest blijven buigen tot het paste.
Maar sommige families passen pas wanneer jij jezelf kleiner maakt dan je botten toelaten.
Die nacht droomde ik van alle kopjes thee die ik had gedronken.
Niet één grote nachtmerrie.
Honderd kleine.
Marleen aan tafel.
Marleen in de tuin.
Marleen op Lottes verjaardag.
Marleen naast mijn ziekenhuisbed.
Elke keer dat kopje.
Elke keer haar ogen.
Toen ik wakker werd, zat Lotte op de rand van mijn bed.
‘Ik had ook eng gedroomd,’ zei ze.
‘Waarover?’
‘Dat oma in een theepot woonde.’
Ik trok haar tegen me aan.
‘Dan gooien we die theepot weg.’
‘Alle theepotten?’
Ik dacht na.
‘Nee. Alleen die van oma.’
Dat vond ze redelijk.
Voorlopig was redelijk genoeg.
DEEL 8 — Hendrik Vos
De naam Hendrik Vos kwam via het apotheekspoor.
Bram had het middel niet op zijn eigen naam gekocht. Hij had administratieve toegang gebruikt tot een oude patiënt van de zorginstelling waar hij werkte: Hendrik Vos, overleden, eenzaam op papier, maar niet vergeten door zijn dochter.
Els Vos stond twee dagen later in mijn ziekenhuiskamer.
Ze was begin vijftig, met kort donker haar, scherpe jukbeenderen en een map tegen haar borst gedrukt alsof ze bang was dat iemand hem ook zou afpakken.
‘U bent Sanne,’ zei ze.
‘Ja.’
‘Mijn vader dronk ook thee.’
Die zin was genoeg.
We zwegen allebei.
Daarna vertelde ze.
Hendrik Vos was geschiedenisleraar geweest. Een man die brieven schreef met vulpen, oude jazz draaide en nooit suiker in zijn thee deed omdat hij vond dat bitterheid een karaktereigenschap was die je moest oefenen.
In zijn laatste maanden was hij vreemd ziek geworden.
Blauwe plekken.
Infecties.
Extreme vermoeidheid.
Verwardheid.
Artsen spraken over ouderdom, kwetsbaarheid, pech.
Els geloofde hen bijna.
Maar Hendrik zei op een dag:
‘Die vrouw maakt mijn thee te glad.’
‘Welke vrouw?’ vroeg ik.
Els keek naar mij.
‘Marleen.’
Mijn huid werd koud.
Marleen had zich als vrijwilliger ingeschreven bij de zorginstelling waar Bram werkte. Zij bezocht ouderen die weinig familie hadden. Ze bracht bloemen, puzzelboekjes, kruidenthee.
En volgens Els bracht zij bij Hendrik ook iets anders.
‘Ik had geen bewijs,’ zei Els. ‘Toen hij stierf, dacht iedereen dat ik rouwde en daarom verbanden zag die er niet waren.’
Ik wist hoe dat voelde.
Een vrouw die verbanden ziet, wordt snel verdrietig genoemd.
Of hysterisch.
Of overbezorgd.
Of ziek.
Els legde een foto van Hendrik op mijn nachtkastje. Een oude man met een pet, een scheve glimlach en heldere ogen.
‘Hij zou Lotte dapper hebben gevonden,’ zei ze.
Ik keek naar de foto.
‘Ze vindt zichzelf niet dapper.’
‘Dat doen dappere mensen zelden.’
Hendriks overlijden kon niet onmiddellijk als moord worden vastgesteld. Zijn lichaam was gecremeerd. Veel sporen waren verdwenen. Maar zijn medicatiedossier, Brams toegang, Marleens vrijwilligersbezoeken en Els’ oude e-mails werden toegevoegd aan het bredere onderzoek.
Het deed pijn dat er misschien nooit volledige gerechtigheid voor Hendrik kwam.
Maar Els zei:
‘Als jouw zaak bewijst dat ze dit konden doen, dan is mijn vader niet meer alleen een oude man die “toevallig” achteruitging.’
Die zin bleef.
Soms is gerechtigheid niet volledig herstel.
Soms is het alleen dat toeval eindelijk een naam krijgt.