Mijn Schoonmoeder Lachte Om Mijn ‘Kleine Huisje’… Tot Ze Blackwood Binnenging”

*Sarah,* *Als je deze brief leest, heb je waarschijnlijk eindelijk begrepen waarom ik je nooit heb gedwongen terug te keren naar Blackwood.* *Je moest zelf ontdekken wie mensen zijn.* *Maar ik heb één ding voor je verborgen gehouden.* Sarah stopte met lezen. Haar hart begon sneller te kloppen. Eleanor keek haar aan. “Wil je dat ik wegga?” Sarah schudde haar hoofd. “Nee.” Ze las verder. *Blackwood is niet het enige wat ik je heb nagelaten.* *Er is een tweede testament.* Sarah fronste. “Een tweede testament?” Eleanor knikte langzaam. “Daarom ben ik hier.” Sarah keek haar aan. “Wat staat erin?” Eleanor haalde diep adem. “Dat vertel ik je morgen.” “Waarom niet nu?” “Omdat je grootvader een voorwaarde heeft toegevoegd.” Sarah voelde een koude rilling. “Welke voorwaarde?” Eleanor keek naar de klok. “Om middernacht moet je eerst iets doen.” Op dat moment sloeg de oude klok in de hal twaalf keer. Bij de laatste slag ging ergens boven hen een deur open. Sarah keek omhoog. Een lange, donkere gang op de eerste verdieping lag volledig verlaten. Toen klonk een zachte stem uit de duisternis. “Sarah?” Ze verstijfde. Die stem kende ze. Ze had hem al jaren niet gehoord. Maar ze zou hem overal herkennen. “Dat kan niet…” fluisterde ze. Eleanor werd lijkbleek. “Je kent die stem?” Sarah keek naar de donkere trap. “Mijn vader.” ##

Sarah durfde nauwelijks te ademen. De stem had opnieuw geklonken. “Sarah… kom naar boven.” Haar knieën voelden zwak. Haar vader was twaalf jaar geleden verdwenen. Niet overleden, althans niet officieel. Zijn auto was gevonden aan de rand van een ravijn, enkele kilometers buiten de stad. Er was nooit een lichaam gevonden. De politie had uiteindelijk aangenomen dat hij tijdens een nachtelijke storm van de weg was geraakt en in de rivier was verdwenen. Sarah was zestien geweest. Haar grootvader had haar destijds vastgehouden terwijl ze urenlang huilde. “Hij is weg,” had hij gezegd. Nooit had hij gezegd dat haar vader dood was. Maar hij had ook nooit verteld dat hij misschien nog leefde. Sarah zette langzaam een voet op de eerste trede. “Eleanor?” “Blijf achter mij.” “Waarom?” “Omdat ik niet weet wie daar boven staat.” Sarah keek naar haar. “Maar ik wel.” Ze liep verder. De trap kraakte onder haar voeten. Boven was het donker. Alleen het maanlicht dat door de hoge ramen viel, tekende bleke rechthoeken op de vloer. Aan het einde van de gang stond een deur op een kier. Sarah liep ernaartoe. Ze duwde hem open. Een man stond met zijn rug naar haar toe. Grijs haar. Brede schouders. Een donkere jas. Sarah voelde haar hart stoppen. De man draaide zich langzaam om. Zijn gezicht was ouder geworden. Dieper getekend. Zijn haar volledig grijs. Maar zijn ogen waren hetzelfde. “Papa…” Hij zei niets. Sarah deed een stap achteruit. “Je bent dood.” “Nee.” “Ze zeiden dat je…” “Ik weet wat ze zeiden.” Ze keek naar Eleanor. Eleanor stond doodstil. “Jij wist het.” “Ik wist dat hij leefde.” Sarah voelde woede door haar angst heen breken. “Hoe lang?” “Vanaf het begin.” Sarah schudde haar hoofd. “Mijn grootvader wist het?”