‘Ik betaal het terug.’
‘Dan kun je het bij een bank lenen.’
Hij keek me lang aan.
‘Je vertrouwt je eigen zoon niet.’
Ik had toen gezwegen.
Dat was mijn fout.
Ik had moeten zeggen:
Nee.
Niet meer.
In de rode map zaten nu stukken die ik er nooit in had gestopt.
Fotokopieën van mijn paspoort.
Een uitdraai van mijn handtekening.
Bankafschriften.
Een conceptbrief aan een notaris waarin zogenaamd stond dat ik akkoord ging met de verkoop van het appartement van Eline en met een grote geldlening aan een bv van Daan.
Onderaan stond mijn naam.
En een handtekening die op de mijne leek.
Bijna.
Ik werkte dertig jaar tussen aktes.
Ik kende mijn eigen handtekening.
Deze was nagemaakt.
Van Leeuwen keek naar me.
‘Wist u hiervan?’
‘Nee.’
‘Heeft uw zoon financiële problemen?’
Ik dacht aan zijn nieuwe elektrische auto.
Sannes verbouwing.
De weekenden op Texel.
De foto’s van restaurants.
De plotselinge haast waarmee hij de laatste maanden geld nodig had.
‘Ik ga het uitzoeken.’
Dat bleek sneller te gaan dan ik dacht.
Een oud-collega van mijn notariskantoor mocht mij vanwege geheimhouding niets vertellen over dossiers die niet van mij waren. Maar mijn eigen stukken kon ik wel laten controleren.
Nog diezelfde middag bleek dat Daan twee weken eerder samen met Sanne een afspraak had aangevraagd bij een notariskantoor in Amsterdam.
Onderwerp:
financiering vastgoedproject.
Onderpand:
een verwachte familieoverdracht.
Toen ik het las, werd mijn koffie koud tussen mijn handen.
Noor had niet alleen in de weg gezeten tijdens hun vakantie.
Ze had iets gezien.
Die avond zat ik naast haar ziekenhuisbed toen ze wakker werd.
‘Oma?’
‘Ja.’
‘Ben jij boos omdat ik in jouw papieren heb gekeken?’
Ik boog naar haar toe.
‘Welke papieren?’
Ze wees naar mijn tas.
‘De rode.’
Ik voelde mijn nek strak worden.
‘Wanneer heb je die gezien?’
‘Bij papa.’
‘Waar?’
‘Bij jullie op zolder.’
Ze sprak langzaam, zoekend naar woorden.
‘Sanne zei dat papa jouw naam moest oefenen.’
Ik zei niets.
Noor tekende met haar vinger over de deken.
‘Ik zei dat je naam anders was.’
Daar was het.
Het detail waarvoor ze kennelijk gevaarlijk was geworden.
Een vijfjarig kind dat letters herkende.
‘Wat zei papa toen?’
Ze keek naar mij.
‘Dat ik altijd alles verpest.’
Mijn hand bleef stil op de deken.
‘En toen?’
‘Sanne zei dat ze op vakantie wilde zonder gezeur.’
‘En papa?’
Noor trok de deken tot onder haar kin.
‘Papa zei dat niemand mij daar zou horen.’
Die nacht sliep ik niet.
Niet omdat ik huilde.
Ik maakte een lijst.
Om 01.10 uur wijzigde ik alle toegangscodes van mijn woning.
Om 01.36 uur blokkeerde ik de reservesleutel die Daan had.
Om 02.05 uur mailde ik mijn notaris.
Om 02.21 uur informeerde ik de bank dat geen enkele instructie van Daan namens mij mocht worden uitgevoerd.
Om 02.48 uur stuurde ik alle relevante berichten naar de recherche.
Om 03.12 uur verwijderde ik mijn zoon uit de familiegroep.
Heel Nederland lost problemen op met formulieren.
Voor het eerst in mijn leven vond ik dat geruststellend.
Daan en Sanne bereikten Hawaï niet.
Op Schiphol had de politie hen gevraagd niet verder te reizen vanwege het onderzoek. Ze werden afzonderlijk gehoord.
Daan beweerde dat een kennis Noor zou komen verzorgen.
Hij kon geen naam noemen.
Daarna noemde hij drie namen.
Alle drie ontkenden.
Sanne verklaarde vervolgens dat zij dacht dat ik dinsdagavond terug zou komen.
De politie liet haar mijn reservering zien.
Ik zou pas vrijdag terugkomen.
Toen veranderde ze haar verklaring.
Ze dacht dat Ria dagelijks kwam.
Ria kwam eens per week.
Ook dat wist Sanne.
Twee dagen later kreeg ik een voicemail van Daan.
‘Mam, alsjeblieft. We moeten praten. Dit loopt compleet uit de hand. Je weet hoe Sanne kan zijn. Ik probeerde alleen iedereen rustig te houden.’
Ik luisterde hem één keer af.
Daarna stuurde ik het bestand naar Van Leeuwen.
Drie minuten later kwam er nog een bericht.
Je vernietigt je eigen familie.
Ik typte:
Nee. Ik documenteer wat mijn familie heeft gedaan.
Daarna blokkeerde ik hem.
De Raad voor de Kinderbescherming werd betrokken. Daan kon Noor voorlopig niet mee naar huis nemen.
Omdat haar moeder overleden was en ik voor Noor een bekende, stabiele verzorger was, werd zij na haar ontslag tijdelijk bij mij geplaatst via netwerkpleegzorg.
De eerste avond thuis liep ze zelf naar de zoldertrap.
Ze bleef onderaan staan.
Ik stond achter haar.
‘Die deur is weg,’ zei ik.
De politie had het slot meegenomen. De houten kast had ik de dag ervoor laten verwijderen.
Noor keek omhoog.
‘Mag de zolder dicht?’
‘Ja.’
Ik sloot de trapdeur.
Daarna gaf ik haar de sleutel.
Ze keek naar het kleine metalen ding in haar hand.
‘Van mij?’