MIJN ZOON SPRAK NA ZEVEN JAAR STILTE ÉÉN ZIN — “MAM, SLIK DAT NIET” EN TOEN VIEL HET MOORDCOMPLOT VAN MIJN MAN UIT ELKAAR

Deel 3 — Plan B

Om 15.30 uur deed ik alsof ik niets wist.

Dat was het moeilijkste wat ik ooit had gedaan.

Niet huilen.

Niet schreeuwen.

Niet Thijs bellen en vragen hoe hij naar onze zoon kon kijken terwijl hij zijn stem had gestolen.

Niet Beatrix vertellen dat haar glimlach straks in een dossier zou belanden.

Roos zat tegenover me in mijn kantoor en schreef een script.

Niet letterlijk.

Maar bijna.

"Thijs moet geloven dat je thuis bent, dat je moe bent en dat je vanavond die capsule neemt."

"Ik kan niet met hem praten."

"Jawel."

"Roos."

"Emma, hij kent jouw paniek. Hij kent jouw verdriet. Hij verwacht een gehoorzame, overwerkte vrouw die gerustgesteld wil worden. Geef hem precies genoeg om hem rustig te houden."

Ik wilde zeggen dat ik dat niet kon.

Toen keek ik naar Milan, die zijn rugzak inpakte met Noor.

Ik kon het.

Voor hem.

Ik nam Thijs’ oproep aan.

"Hey," zei ik.

Mijn stem klonk vreemd normaal.

"Hoi schat," zei Thijs. "Alles goed daar?"

Schat.

Het woord was zo smerig geworden dat ik bijna over mijn tong struikelde.

"Ja. Rustig. Milan kijkt een film."

"Mooi. En jij?"

"Moe."

"Heb je al zo’n capsule genomen?"

Roos keek naar me.

Ik antwoordde:

"Nog niet. Je zei voor het slapengaan."

"Goed meisje."

Goed meisje.

Mijn huid kroop bijna van mijn botten.

"Je moet echt even aan jezelf denken," vervolgde hij. "Morgen voel je je vast beter."

"Ik hoop het."

"Ma maakt zich ook zorgen."

Op de achtergrond hoorde ik Beatrix:

"Zeg dat ze niet eigenwijs moet zijn."

Thijs lachte.

"Je hoort het."

"Ik ben niet eigenwijs."

"Nee, dat weet ik."

Maar zijn toon zei iets anders.

Hij genoot van zijn macht.

Niet luid.

Niet woest.

Gewoon tevreden.

"Wij zijn rond middernacht in Zeeland," zei hij. "Yara rijdt met ons mee tot Breda. Zakending."

Daar was ze.

Yara.

Alsof zij een collega was.

"Oké," zei ik.

"Niet teveel werken. En neem die capsule. Beloofd?"

Ik keek naar Roos.

Zij knikte.

"Beloofd," zei ik.

Toen hing hij op.

Ik rende naar het toilet en gaf over.


Milan vertrok om 16.10 uur.

Niet via de hoofdingang.

Via de dienstuitgang, in de auto van mijn beveiligingschef, met Noor naast hem en Lotte achterin.

Ja, Lotte ging mee.

Roos had eerst bezwaar gemaakt.

Toen Milan zijn hand om Lottes pols sloot en zacht zei:

"Zij hoorde mij toen niemand mij hoorde."

Roos keek naar mij.

Ik knikte.

Lotte werd formeel als beschermde getuige meegenomen naar de beveiligde woning. Daar zou later ook iemand van slachtofferzorg komen, nadat de melding officieel was gedaan.

Ik bleef achter in het landhuis met Roos, dr. De Vries, twee beveiligers en mijn IT-specialist David, die alle camera’s, servers, toegangen en slimme sloten controleerde.

"Thijs heeft op afstand toegang tot het camerasysteem," zei David binnen tien minuten.

"Blokkeer het."

"Hij krijgt dan een melding."

"Kun je die vertragen?"

David glimlachte.

"Daarvoor betaal je mij te veel."

Binnen een half uur dacht Thijs dat hij nog livebeeld kon zien van de woonkamer.

In werkelijkheid keek hij naar een vertraagde lus van die ochtend.

Ik liep zogenaamd door de gang.

Lotte dweilde.

Milan zat aan tafel te tekenen.

Een spookhuis van pixels.

"Hoe lang houdt dit?" vroeg ik.

"Lang genoeg," zei David.

"Waarvoor?"

Roos antwoordde:

"Voor de politie om klaar te staan."


Yara belde mij om 17.22 uur.

Dat had niemand verwacht.

Het nummer was onbekend. Roos liet me opnemen en zette het gesprek op speaker.

"Met Emma."

Een vrouwenstem.

Laag.

Onzeker.

"Emma van Leeuwen?"

"Ja."

"U kent mij niet. Mijn naam is Yara."

Roos hief haar hoofd.

"Ik zit in de auto met uw man en zijn moeder," zei Yara snel. "Ze zijn net gaan tanken. Ik heb misschien drie minuten."

Mijn hart begon te bonzen.

Ik keek naar Roos.

Zij wees naar de recorder.

"Ik luister," zei ik.

"Thijs zegt dat u ziek bent. Dat u psychisch instabiel bent. Dat hij bang is dat u uzelf iets aandoet. Maar Beatrix zei net dat ik moest zwijgen als er vragen kwamen over het potje."

Ze ademde snel.

"Ik heb hem gevraagd wat erin zat. Hij zei dat ik dat niet hoefde te weten."

"Yara," zei ik. "Heb jij die capsules geleverd?"

Stilte.

Daarna:

"Niet als gif. Ik zweer het. Ik werk bij een kliniek. Thijs vroeg maanden geleden naar een slaap- en herstelkuur voor u. Hij zei dat u niet meer sliep. Dat u weigerde hulp te zoeken. Later vroeg hij om zwaardere dingen. Ik heb hem doorverwezen naar iemand anders. Dat had ik nooit moeten doen. Maar het potje dat hij nu heeft, komt niet rechtstreeks van mij."

"Van wie dan?"

Ze begon te huilen.

"Dr. Karel Mertens. Hij werkt buiten het systeem. Rijke cliënten. Geen vragen. Geen dossiers."

Roos schreef de naam op.

"Waarom bel je mij?" vroeg ik.

Yara snikte.

"Omdat hij me net vertelde dat als alles achter de rug is, wij naar Monaco gaan. Maar op een video van zijn dashboard hoorde ik hem vanochtend tegen Beatrix zeggen dat hij daarna wel zou zien wie nuttig blijft. Hij denkt dat ik sliep, maar ik hoorde het."

Roos keek me aan.

Ze wist het.

Yara had zichzelf net omgedraaid.

Niet uit zuiver geweten.

Uit zelfbehoud.

Maar dat was genoeg.

"Waar zijn jullie nu?" vroeg ik.

"Tankstation langs de A27, net voorbij Gorinchem. Ze komen terug. Ik moet ophangen."

Roos pakte haar telefoon en stuurde onmiddellijk de locatie door naar de recherchecontactpersoon.

"Yara," zei ik snel. "Stap uit als je kunt. Ga naar binnen. Blijf bij camera’s. Geef niets meer aan Thijs."

"Ik ben bang."

"Daar begint eerlijkheid soms," zei Roos hard genoeg.

Yara hoorde het.

"Wie is daar?"

"Mijn advocaat."

Yara vloekte zacht.

Toen verbrak ze de verbinding.


De politie besloot niet meteen in te grijpen.

Dat maakte mij woedend.

"Ze zitten in de auto met bewijs en een medeplichtige," zei ik.

Rechercheur Van Dalen, die inmiddels via Roos bij ons aan tafel zat, bleef kalm.

"We grijpen niet in midden op een tankstation zonder alle veiligheidsrisico’s te wegen. We volgen. We leggen vast. En we zorgen dat ze niet bij Milan komen."

"Ze denken dat Milan thuis is."

"Dat houden we zo."

"En ik?"

"U gaat straks naar de beveiligde woning."

"Nee."

Roos keek op.

"Emma."

"Nee. Thijs moet denken dat ik hier ben."

Rechercheur Van Dalen antwoordde:

"Daar hebben we een oplossing voor."

Die oplossing heette een arrestatieteam in burger, twee observatieauto’s, een IT-lus en een lege capsule die ik zogenaamd op mijn nachtkastje zou zetten.

"Ik ga niet als lokaas dienen," zei ik.

"Dat vragen we ook niet," zei Van Dalen. "We willen hem laten denken dat zijn plan nog loopt, niet dat hij u fysiek kan bereiken."

Om 19.00 uur werd ik naar Bloemendaal gebracht.

Tegen mijn wil.

Terecht.

Het landhuis bleef verlicht.

De camera’s toonden oude beelden.

Op mijn nachtkastje stond het potje.

Eén capsule ontbrak.

In werkelijkheid lag alles in een bewijszak.

Ik zat intussen in een beveiligde woonkamer met Milan naast me, Lotte aan de andere kant, en drie onbekende professionals in huis die ons leven tijdelijk beheerden.

Milan leunde tegen mijn arm.

"Ben je boos op mij?" fluisterde hij.

Ik draaide me naar hem, geschokt.

"Op jou? Nooit."

"Ik had eerder moeten praten."

Daar brak ik.

Niet hard.

Niet hysterisch.

Maar de tranen kwamen eindelijk.

"Lieverd, nee. Jij was een kind. Jij bent nog steeds een kind. Papa had jou moeten beschermen. Ik had jou beter moeten zien. Maar jij had niets moeten doen."

"Ik was bang."

"Ik ook."

Hij keek op.

"Nu nog?"

"Ja."

"Maar je praat toch."

Ik trok hem voorzichtig tegen mij aan.

"Jij ook."

Hij legde zijn hoofd tegen mijn borst.

Voor het eerst in zeven jaar neuriede hij zacht.

Geen lied.

Geen woorden.

Alleen geluid.

En dat geluid was mooier dan alle muziek die ooit in mijn landhuis had geklonken.