Deel 3: De opslagruimte achter het hek
Naomi arriveerde de volgende ochtend met een map, een tweede telefoon en het soort kalmte dat mensen meestal pas opbrengen wanneer ze weten hoe gevaarlijk een situatie kan worden. Ze bekeek de beelden van de garage en schreef de tijdstippen op.
‘De koffer is een afzonderlijke kwestie,’ zei ze. ‘Als Derek zonder toestemming iets heeft meegenomen, kunnen we teruggave eisen. Maar ik wil dat je eerst begrijpt wat er op het spel staat.’
Ze legde drie kopieën op tafel. De hypotheekakte stond op naam van Ethan en mij samen. Het huis was niet onderpand voor een lening van Mercer Development. In de documenten die hun advocaat mij had gestuurd, werd wel beweerd dat Ethan persoonlijk garant stond, maar er ontbraken handtekeningen op twee bijlagen en de onderliggende kredietovereenkomsten waren niet meegeleverd.
‘Dus ze kunnen het huis niet verkopen?’
‘Niet op basis van een brief alleen. Als ze een geldige vordering hebben, zullen ze die moeten onderbouwen. Tot die tijd mag je niet doen alsof die schuld vaststaat.’
Het was de eerste keer in maanden dat ik weer diep kon ademhalen.
We reden samen naar het opslagbedrijf. De beheerder, een grijze man die zichzelf Walter Price noemde, keek naar de bon en vroeg om identificatie. Hij bevestigde dat de unit op naam van Ethan was gehuurd en dat de toegang na zijn overlijden administratief was beperkt.
‘Ik kan u niet zomaar binnenlaten,’ zei hij. ‘U bent mogelijk erfgenaam, maar ik heb documenten nodig die uw bevoegdheid aantonen.’
Naomi liet de overlijdensakte en de papieren van de nalatenschapsprocedure zien. Walter beloofde de aanvraag door zijn juridische afdeling te laten beoordelen. Vervolgens keek hij naar de code op de bon.
‘Die cijfers zijn geen toegangscode. Het is een verwijzing naar een verzegelde inventaris.’
‘Een inventaris waarvan?’ vroeg ik.
‘Dat kan ik pas zeggen wanneer de bevoegdheid is bevestigd.’
Op weg naar buiten bleef Naomi staan bij het hek. ‘Zie je die camera?’
‘Ja.’
‘Vraag dat de opnames veiliggesteld worden. De eigenaar kan weigeren ze aan ons te geven, maar ze hoeven niet gewist te worden terwijl we toestemming regelen.’
Ik keek naar de witte bestelwagen die achter het aangrenzende pand stond. Het kenteken kwam overeen. Iemand had de wagen hier dus niet toevallig geparkeerd.
Bij de lunch belde de advocaat van Mercer Development. Hij sprak met de gladde hoffelijkheid van iemand die gewend was dat anderen bang werden van zijn briefpapier. Hij heette Charles Voss.
‘Mevrouw Mercer, uw zwager wil de familiebelangen beschermen. We kunnen de zaak discreet oplossen als u bereid bent het huis te verkopen.’
Naomi nam de telefoon over. ‘Mijn cliënte communiceert vanaf nu uitsluitend via mij. Stuur de volledige leningdocumentatie en bewijs van bevoegdheid. Verder verzoek ik u geen direct contact met haar op te nemen.’
Voss zweeg even. ‘U begrijpt niet hoe ingewikkeld dit is.’
‘Dan is documentatie des te belangrijker,’ zei Naomi.
De volgende dag kregen we bericht dat de opslagruimte geopend mocht worden in aanwezigheid van een vertegenwoordiger van de nalatenschap. Walter verbrak de verzegeling. Binnen stonden drie archiefdozen, een oude laptop zonder oplader en een grijze brandwerende kast. Op de kast lag een envelop met mijn naam, geschreven in Ethans onvaste linkerhandschrift.
Ik wilde hem onmiddellijk openen, maar Naomi vroeg Walter eerst foto's te maken van de staat van de ruimte. Alles kreeg een nummer. Daarna pas sneed ik de envelop open.
‘Claire,’ begon de brief. ‘Als je dit leest, ben ik er niet in geslaagd je alles zelf uit te leggen. Ik heb te lang gedacht dat ik mijn familie kon beschermen zonder jou erbij te betrekken. Dat was verkeerd.’
Mijn keel kneep dicht. Ethan had de afgelopen maanden voor zijn dood nauwelijks geslapen. Ik had gedacht dat het kwam door de ruzies over het bouwbedrijf. Hij had gezegd dat hij ermee bezig was orde op zaken te stellen.
De brief ging verder. ‘Het geld dat ik beheer, behoort niet aan Mercer Development toe. Een deel is afkomstig uit de verkoop van mijn eigen softwarebedrijf. Een ander deel staat in een onafhankelijke vermogensstructuur voor een doel dat ik je had moeten vertellen. Er is een dossier over betalingen van Derek. Kijk niet alleen naar wat hij nam. Kijk naar wie ervoor tekende.’
Naomi las de brief naast mij. ‘We moeten vaststellen wat Ethan met dat softwarebedrijf bedoelt. Heb jij ooit van een verkoop gehoord?’
‘Hij bouwde jaren geleden een systeem om bouwprojecten te plannen. Hij zei dat het niets bijzonders was.’
In de eerste archiefdoos vonden we belastingaangiften, overeenkomsten over intellectueel eigendom en correspondentie met een investeringsmaatschappij. Het softwarebedrijf heette Blue Ridge Systems. De verkoopdatum lag bijna zeven jaar terug. De koopsom was aanzienlijk, maar verklaarde niet het volledige bedrag op de rekening.
In de tweede doos zaten bankafschriften met overschrijvingen naar onderaannemers die ik niet kende. Sommige bedragen waren precies gelijk aan de bedragen op de vermeende garanties. Andere waren doorgestuurd naar een onderneming met de naam Laurel Ridge Holdings.
‘Dat is geen gewone bedrijfsadministratie,’ zei ik.
‘Nee,’ antwoordde Naomi. ‘Het is een spoor.’
Walter haalde de laptop uit de kast. De harde schijf was versleuteld. Op een sticker stond alleen de datum van Ethans laatste werkdag en een korte zin: ‘Vraag naar de audit van april.’
Ik dacht aan de datum waarop Derek plotseling had beweerd dat Mercer Development in financiële problemen zat. April was ook de maand waarin Ethan had geweigerd nog naar familiediners te komen.
Toen we de laatste doos optilden, viel er een foto uit. Ethan stond naast Derek en Margaret voor het kantoor van Mercer Development. Naast hen stond Charles Voss. Op de achterkant had Ethan een pijl getekend naar één persoon, met daaronder de woorden: ‘Zij wist het eerst.’
De pijl wees niet naar Derek. Hij wees naar Margaret.