Ik stond daar op de binnenplaats, starend naar mijn telefoon, alsof ik het druk had. Ruby, mijn klasgenoot, zag me en riep: “Je bent er!” Haar ouders straalden en maakten foto’s van ons. Ze draaide zich om en keek de menigte rond. “Waar is je familie? Ben ik te laat?” “Ja,” loog ik. Liegen ging me vanzelf. Jarenlange oefening.
Toen ik de parkeerplaats bereikte, kleurde de lucht goud. Ballonnen zweefden boven de daken van de auto’s. Kinderen gilden, claxons toeterden. Zittend in mijn oude Civic bekeek ik het tafereel vanaf het stuur. Even stelde ik me voor hoe ze aankwamen: mama zwaaiend, Avery in zijn glimmende sneakers, papa met een bos bloemen. Maar toen vervaagde dat beeld in het gebrul van de motoren.
Pages: 1 2