Ik keek naar Julian alsof hij zojuist had gezegd dat de grond onder mijn voeten verdwenen was.
“Marcus weet waar de schijf ligt,” zei ik.
“Dat zei je.”
“Maar hij weet niet wat erop staat.”
Julian gaf het vel papier terug.
“Ben je daar zeker van?”
Ik schudde langzaam mijn hoofd.
“Hij wist dat ik kopieën had gemaakt. Hij wist dat ik documenten had gezien. Maar hij heeft de schijf nooit in mijn handen gezien.”
“Dus hoe kan hij weten waar hij ligt?”
Ik keek naar de donkere kluisruimte.
“Omdat ik hem daar heb verstopt.”
Julian wachtte.
“Waar?”
“In zijn kantoor.”
Hij keek me onderzoekend aan.
“Je hebt een versleutelde schijf in het kantoor van je eigen man verborgen?”
“Vlak voor ik hem verliet.”
Ik sloot mijn ogen en probeerde die laatste weken van mijn huwelijk terug te halen.
“Marcus controleerde alles. Mijn tas. Mijn laden. Mijn laptop. Zelfs de rekeningen van mijn creditcard. Ik wist dat hij mijn spullen zou doorzoeken zodra hij begreep dat ik iets tegen hem kon gebruiken.”
“Dus je koos een plek die hij nooit zou verdenken.”
“Niet zomaar een plek.”
Ik keek naar de brief.
“Een plek die hij zelf had beveiligd.”
Julian begreep het meteen.
“Zijn privékast.”
Ik knikte.
“In zijn kantoor stond een oude brandwerende kast achter een houten paneel. Alleen Marcus had de code. Ik heb de schijf in een doos gelegd met oude belastingdocumenten.”
“Waarom?”
“Omdat niemand ooit vrijwillig door zijn eigen administratie gaat.”
Julian glimlachte kort.
“Dat klinkt als jij.”
Maar mijn glimlach verdween onmiddellijk.
“Er is één probleem.”
“De code?”
“Nee.”
Ik pakte mijn telefoon.
“Marcus heeft na de scheiding zijn kantoor laten verbouwen.”
Julian keek me aan.
“Dan kan de schijf weg zijn.”
“Of iemand heeft hem gevonden.”
We verlieten de kluis enkele minuten later.
Onderweg naar de auto sprak geen van ons beiden.
Pas toen de motor startte, zei Julian:
“Je hoeft daar niet alleen heen.”
“Dat ga ik ook niet.”
Hij keek naar mij.
“Wie gaat er dan mee?”
“Ik.”
Hij zuchtte.
“Je weet dat ik bedoel dat je niet zonder bescherming moet gaan.”
“Ik ga niet naar binnen. Nog niet.”
“Wat dan?”
“Eerst wil ik weten wie tegenwoordig toegang heeft tot Marcus’ kantoor.”
Julian pakte zijn telefoon.
“Dat kan ik uitzoeken.”
Ik keek hem aan.
“Niet via Marcus.”
“Dat was ik ook niet van plan.”
Hij stuurde een bericht en legde de telefoon neer.
Tien minuten later kwam er een antwoord.
Julian las het.
Zijn gezicht veranderde.
“Wat?”
“De renovatie was geen gewone renovatie.”
Mijn maag trok samen.
“Wat bedoel je?”
“De privéverdieping is twee jaar geleden opnieuw ingericht.”
“Door wie?”
“Een extern beveiligingsbedrijf.”
“Waarom zou een bedrijf een kantoor laten herbouwen door een beveiligingsfirma?”
Julian keek naar het scherm.
“Omdat ze een nieuwe archiefruimte hebben aangelegd.”
Ik voelde een koude rilling.
“Archiefruimte?”
“Met een onafhankelijke toegangscontrole.”
Ik keek uit het raam.
“Dus de kast bestaat misschien nog.”
“Dat weten we niet.”
“En als de schijf er nog ligt?”
Julian antwoordde niet.
Ik wist waarom.
Dan had ik misschien precies gevonden wat iemand mij probeerde te laten vergeten.
Toen we thuiskwamen, stond er een zwarte SUV aan de overkant van de straat.
Ik vertraagde.
“Dat was die er eerder?”
Julian keek in de spiegel.
“Nee.”
Hij pakte meteen zijn telefoon.
“Blijf in de auto.”
“Julian.”
“Blijf.”
Hij stapte uit.
De SUV bleef onbeweeglijk staan.
Geen bestuurder zichtbaar.
Geen lichten.
Een halve minuut later reed hij weg.
Julian kwam terug.
“Heb je iemand gezien?”
“Nee.”
“Mooi.”
“Dat klinkt niet geruststellend.”
“Dat is het ook niet.”
Binnen controleerde hij de camerabeelden.
Er was niets bijzonders te zien.
Geen beweging bij de voordeur.
Geen persoon in de tuin.
Geen poging om binnen te komen.
Maar toen hij de beelden van de straat terugspoelde, bleef hij plotseling stil.
“Wat?”
Hij wees naar het scherm.
De zwarte SUV stond er niet alleen die avond.
Hij stond daar drie dagen eerder.
En nog een keer de dag daarvoor.
Telkens op bijna exact dezelfde plek.
Mijn mond werd droog.
“Ze houden ons in de gaten.”
Julian knikte.
“Of ze wachten ergens op.”
“Op wat?”
Hij keek mij aan.
“De schijf.”
Ik liep naar de tafel en legde de brief van mijn vader ernaast.
Op dat moment trilde mijn telefoon.
Een nieuw bericht.
Geen onbekend nummer dit keer.
Marcus Mercer.
Er stond maar één zin.
Kom morgen om negen uur naar mijn kantoor. Alleen.
Daaronder volgde een tweede bericht.
Je weet inmiddels wat er in de laatste pagina staat.
Ik voelde mijn bloed koud worden.
Ik had nog nooit iemand verteld dat ik de brief van mijn vader had gevonden.
Niemand.
Zelfs Julian niet.
Toch wist Marcus precies waar ik naar zocht.
Ik keek op van het scherm.
“Hij weet het.”
Julian stond naast me.
“Wat?”
“Dat ik de laatste pagina wil.”
En toen verscheen er nog één bericht.
Breng de schijf mee, Evelyn. Anders vertel ik haar wie haar echte moeder is.