VLIEG VANAVOND NOG NAAR VANCOUVER

Deel 15: Een konijn met een pleister, en een bordje in de aankomsthal van Vancouver

„Ik heb dat konijn op haar bed gelegd,” zei Anne Visser. „De eerste nacht. Om tien over drie. Ze was zo bang. En u sliep, eindelijk, op die plastic stoel, met uw zoon op schoot.”

We zaten in de ouderkamer van de kinderlongafdeling. Lily zat op de grond met een puzzel van een boerderij. Anne had twee bekers thee gehaald uit de automaat. Ze had in de mijne drie zakjes suiker gedaan zonder het te vragen. Ik zag het pas toen ik de eerste slok nam.

„U deed altijd te veel suiker in de thee,” zei ze. „Dat zei uw moeder.”

Ik zette de beker neer. Ik kon even niets zeggen.

„Ik heb die brief geschreven in februari 2023,” zei ze. „Ik heb hem naar het kantoor van uw advocaat gestuurd, omdat het ziekenhuis zei dat dat moest. Ik heb nooit iets teruggehoord. Ik dacht dat u hem had gelezen en had besloten dat ik het niet waard was om op te antwoorden. Dat begreep ik. Ik vond dat zelf ook.”

„Ik heb hem vier dagen geleden voor het eerst gelezen,” zei ik. „Hij lag in een kluis.”

Ze knikte langzaam. Ze vroeg niet waarom. Ze had de krant ook gelezen.

„Toen ik de naam Van der Meer zag op het dossier van Lily,” zei ze, „en de naam van de moeder, Clara, wist ik het meteen. Ik ben drie nachten achter elkaar bij haar bed blijven zitten. Ik heb gecontroleerd of elk alarm aanstond. Elk uur. Ook als het niet hoefde.” Ze keek naar haar handen. „Ik weet dat dat niks goedmaakt.”

Lily kwam aanlopen met een puzzelstukje in de vorm van een koe. Ze legde het op Annes knie.

„Die past niet,” zei ze.

„Zullen we samen kijken?” zei Anne.

Ik keek hoe ze samen op de grond gingen zitten. Lily wees. Anne draaide het stukje om. Het paste.

Ik had zes jaar boos willen zijn op iemand met een gezicht. Nu zat dat gezicht op de grond met mijn dochter een koe te puzzelen. En het enige wat ik voelde, was dat mijn moeder het fijn had gevonden. Dat iemand die avond naar haar had geluisterd toen ze over mij vertelde.

„Ze had het u vergeven,” zei ik. „Mijn moeder. Ze vergaf iedereen alles. Het maakte me gek.”

Anne keek niet op van de puzzel. Maar ik zag dat haar schouders zakten. Een centimeter. Zoals die van Gunther in de verhoorkamer.

Dat is nu een jaar geleden.

David is in juni veroordeeld tot negen jaar. Voorbereiding van moord, valsheid in geschrifte, verduistering van drie komma vier miljoen euro. Hij zit in Vught. Zijn moeder is één keer uit Marbella overgekomen om hem te bezoeken. Ze heeft mij niet gebeld.

Emily kreeg achttien maanden, waarvan twaalf voorwaardelijk, omdat ze als eerste alles had verteld. Het huis in West Vancouver is verkocht door een curator. Het geld is teruggegaan naar het bedrijf. In december kreeg ik een kaart uit Zaandam, met een kerstboom erop. Ik lees nu alles wat ik teken. Emily. Eronder, in een ander handschrift: En ik controleer het. Sonja.

Rick Postma en Reinier van Dongen staan volgende week terecht in Vancouver, bij het Supreme Court of British Columbia. Samenzwering tot moord. Van Dongen is in Nederland van het tableau geschrapt. De Orde van Advocaten heeft de derdengeldrekening laten doorlichten. De één komma twee miljoen stond er nog. Op de cent.

De bankgarantie is vernietigd. Een handschriftdeskundige had er een middag voor nodig. De lus in de M.

Het ziekenhuis heeft me opnieuw een brief gestuurd. Deze keer rechtstreeks, naar mijn huis. Het bedrag van de schikking veranderde niet. De excuses wel. Ze waren langer. En er zat een uitnodiging bij voor de opening van een stiltekamer op de ok-afdeling. Met een bordje bij de deur. Voor Marijke.

Kramer Maritiem heet nu De Haven van Marijke. Kees Mulder is terug als financieel directeur. Hij heeft de computer van de jaren negentig laten staan, omdat hij zegt dat hij er sneller op werkt. Met kerst stond er op de kade een tafel met twaalf zelfgebakken appeltaarten. Van mij. Ze waren niet zo goed als die van mijn moeder. De jongens van de kade hebben ze toch allemaal opgegeten.

Het blauwe varken van Lucas staat op mijn bureau in de Waalhaven. Ik heb het briefje van vijftig eruit gehaald en aan de Voedselbank gegeven. De drieëntwintig euro veertig zit er nog in. Lucas wilde het terug. Ik heb het hem uitbetaald met rente. Hij heeft het nagerekend.

Gisteren zijn we naar Vancouver gevlogen. Ik moet getuigen, op maandag.

Ik had de kinderen thuis kunnen laten, bij tante Riet. Lily wilde mee. Ze wilde iemand iets laten zien.

KL681. Rij 31. Lily bij het raam, Lucas in het midden, ik aan het gangpad. Lily heeft de hele vlucht met haar neus tegen het raam gezeten en wolken geteld. Ze kwam tot honderdtwaalf. Toen viel ze in slaap, met het konijn onder haar kin. De pleister zit er nog op. Ze wil niet dat hij eraf gaat.

„Hij weet nog hoe je beter wordt,” zegt ze.

Toen de schuifdeuren van de aankomsthal opengingen, zag ik hem meteen. Je kunt hem niet missen. Hij stond achter de rij taxichauffeurs, een kop groter dan iedereen, in een geruite blouse die ik nog nooit had gezien. Geen uniform. Hij hield een stuk karton omhoog waarop hij met een dikke zwarte stift had geschreven, in hoofdletters, zo recht als de letters in zijn logboek:

LILY.

Lily keek naar het bordje. Toen naar mij.

„Dat ben ik,” zei ze.

„Dat ben jij.”

Ze liet mijn hand los en rende. Door de hal, langs een man met een bagagekar, langs een groep toeristen, met haar roze rugzakje dat op en neer sprong. Ze rende zonder te stoppen. Zonder te hijgen. Zonder dat kleine haperende geluid in haar borst.

Gunther liet het bordje zakken. Hij ging op zijn hurken zitten, zodat hij net zo groot was als zij. Het kostte hem moeite, met die knieën. Hij deed het toch.

Lily bleef vlak voor hem staan. Ze haalde heel diep adem. Ik zag haar borstkas omhoog gaan.

Toen blies ze. Een lange, harde blaas, recht in zijn gezicht, zodat zijn wenkbrauwen bewogen.

„Ik kan het in één keer,” zei ze.

Gunther keek haar aan. Ik zag zijn mond trillen. Ik zag dat hij het wegduwde, zoals hij alles wegduwt, en dat het deze keer niet lukte.

„Ik zie het,” zei hij schor. „Dat schrijf ik op.”

Hij haalde zijn zwarte boekje uit zijn borstzak, met het elastiekje eromheen, en gaf het aan haar. Ze mocht het opschrijven. Ze kan nog niet schrijven. Ze tekende een rondje met strepen eromheen. Een zon, zegt ze. Of een longetje. Dat mag ik zelf kiezen.

Lucas sleepte de koffer naar ze toe. Gunther stond op en nam hem van hem over.

Ik stond nog even bij de schuifdeuren.

Een jaar geleden zei een man vanuit een ziekenhuisbed in deze stad tegen me: vlieg vanavond nog naar Vancouver. Hij had alles berekend. Het ticket. De auto. De week. Mijn trouw. Het enige wat hij niet had berekend, was dat ik één keer nee zou zeggen.

Nu ben ik hier. Niet omdat iemand het eist. Niet om iemand te wassen of te voeren of te redden.

Ik ben hier omdat mijn dochter iemand wilde laten zien dat ze weer kan ademen.

Ik pakte mijn tas en liep naar ze toe.