VLIEG VANAVOND NOG NAAR VANCOUVER

Deel 3: Pagina zeven ontbrak in het dossier

„Dat is niet mijn handtekening, Clara. Dat zweer ik op het leven van de kinderen.”

Het was het eerste wat David zei toen ik het dossier op zijn dekbed openvouwde. Niet „het spijt me”. Niet „laat het me uitleggen”. Hij zwoer op het leven van de kinderen, twee meter van Lily vandaan, die nog geen drie weken geleden aan een zuurstofkapje had gelegen.

Ik keek hem niet aan. Ik las.

Bovenop lag een polis van Delta Leven. Een overlijdensrisicoverzekering op het leven van C. van der Meer. Verzekerd bedrag: twee komma vijf miljoen euro. Begunstigde: D. Kramer. Ingangsdatum: 14 februari.

Valentijnsdag. Die avond had hij me meegenomen naar een sterrenrestaurant in Rotterdam en een armband van Cartier om mijn pols gedaan. Ik had gehuild van geluk in de taxi naar huis.

Op pagina drie stond de clausule die Van Dongen met geel had gemarkeerd. Bij overlijden ten gevolge van een ongeval buiten Nederland wordt het verzekerde bedrag verdubbeld.

Vijf miljoen euro. Als ik in het buitenland verongelukte.

„Een standaardpolis,” zei David. Zijn stem werd gladder, zoals altijd als hij zich herpakte. „Iedere ondernemer verzekert zijn vrouw. Als jou iets overkomt, moeten de kinderen verzorgd zijn. Dat heet verantwoordelijkheid, Clara.”

„De kinderen staan er niet in,” zei ik. „Alleen jij.”

Hij deed zijn mond open en weer dicht.

Ik sloeg de pagina om. Een medische vragenlijst, ingevuld in een handschrift dat op het mijne leek, maar dan rechter, netter. Alsof iemand het had geoefend. Onderaan een handtekening. De C was goed. De lus van de M niet. Ik zet mijn M al sinds de basisschool in één haal, zonder lus.

Daarna kwam het vel dat mijn knieën slap maakte.

Een uitdraai van een e-ticket van KLM. Amsterdam–Vancouver. Enkele reis. Passagier: mevrouw C. van der Meer. Geboekt op 3 september. Vertrekdatum: 26 september.

Vijf dagen vóór zijn ongeluk.

Ik draaide het papier naar hem toe. „Je hebt dit geboekt toen je nog „in Frankfurt” zat.”

„Het was een verrassing.” Hij keek naar het plafond. „Ons jubileum. Tien jaar. Ik wilde je meenemen naar de bergen. Emily zou eerder vertrekken om alles te regelen.”

„Enkele reis, David.”

Het werd stil in kamer 602. Zo stil dat ik de pomp van zijn infuus hoorde tikken.

Achter me ging de rolstoel van Emily een stukje achteruit. De rubberen wielen piepten op het marmer. Ze had haar handen nog steeds voor haar mond, maar ze keek niet meer naar David. Ze keek naar het ticket. En in haar ogen zag ik iets wat ik niet had verwacht. Geen schuld. Herkenning.

„Hij zei dat jij nooit zou komen,” fluisterde ze. „Hij zei: Clara stapt nooit in een vliegtuig zonder de kinderen.”

„Emily, hou je kop,” siste David.

Onder het ticket zat een bevestiging van een autoverhuurder. Geen groot bedrijf. R. Auto Services, Burnaby BC. Een zwarte Ford Explorer, af te halen op de luchthaven van Vancouver op 26 september. Op naam van C. van der Meer. Contant vooruitbetaald.

En daaronder, met balpen op een geeltje geschreven, in Davids eigen hanenpoten, die ik overal zou herkennen:

R. — alles ná week 38. Niet eerder.

De FIOD-rechercheur kwam naast me staan. Saskia Bakker, een vrouw van mijn leeftijd met kortgeknipt haar en een stem die nooit omhoog ging. Ze las over mijn schouder mee. Ze zei lange tijd niets.

„Mevrouw Van der Meer,” zei ze toen zacht. „Dit is geen fiscale fraude meer. Dit is voor de politie. Ik bel de recherche.”

Ze liep de gang op met haar telefoon aan haar oor.

Ik bleef staan. Mijn handen trilden niet. Dat verbaasde me. Misschien was ik al te moe om te trillen. Ik telde de pagina's, omdat ik iets moest doen met mijn handen. Ze waren rechtsonder genummerd, met een stempel van de verzekeraar.

Eén. Twee. Drie. Vier. Vijf. Zes. Acht.

Ik telde opnieuw.

„Er ontbreekt een pagina,” zei ik.

Van Dongen stond nog bij de deur, in zijn grijze krijtstreep, met zijn leesbril op het puntje van zijn neus. Hij kwam niet dichterbij.

„Zo zat het in de kluis, Clara,” zei hij. „Ik heb niets aangeraakt. De rechercheurs waren erbij toen we hem openden.”

„Pagina zeven,” zei ik. „Wat stond er op pagina zeven, David?”

David lachte. Het was een vreemd geluid uit een man met twee gebroken benen.

„Vraag dat maar aan je dure advocaat.”

Van Dongen glimlachte vermoeid, zoals je glimlacht om een slechte grap op een verjaardag. „Meneer Kramer probeert verwarring te zaaien. Dat doen ze allemaal, op dit punt.”

„Mama?”

Lily trok aan de zoom van mijn colbert. In haar andere hand had ze het knuffelkonijn dat ze in het UMC van de verpleging had gekregen. Het had een pleister op zijn oor, net als zij twee weken lang een pleister op haar hand had gehad, van het infuus.

„Waarom huilt papa niet echt?”

Lucas pakte haar hand voordat ik iets kon zeggen. Hij was zes. Hij had in die twee weken geleerd om haar hand te pakken als grote mensen te hard praatten.

„Kom, Lily,” zei hij. „We gaan naar tante Riet.”

Tante Riet, de zus van mijn moeder, zat op het bankje op de gang met een thermoskan koffie en een zak kruidnoten. Ze stond op toen ze de kinderen zag, keek langs hen heen naar mij, en zag aan mijn gezicht dat ze niets moest vragen. Ze nam ze mee naar de lift.

Ik keek ze na tot de deuren dichtgingen.

Als ik die avond in het vliegtuig was gestapt, zoals hij eiste, had Lily alleen gelegen. Met een zuurstofkapje en een konijn met een pleister. En een moeder die nooit meer terugkwam uit de bergen.

De schuifdeuren gleden weer open. Ik dacht dat het Saskia was.

Maar de man die binnenkwam, moest bukken om niet met zijn hoofd tegen de rand van het kozijn te stoten. Hij droeg een marineblauw zorguniform dat strak om zijn schouders zat en een naambadge van een kliniek in Vancouver. In zijn hand had hij een doorzichtige plastic zak.

David werd zo wit als zijn kussensloop.

„Gunther,” zei hij hees. „Jij... jij zou terugvliegen.”

„Morgen, meneer,” zei Gunther. Hij sprak Nederlands. Plat, met een zachte Drentse g, die ik nooit had verwacht uit zo'n lijf. Hij keek naar mij. „Mevrouw Van der Meer. Ik moet u iets geven voordat ik ga. Zijn telefoon. Die heeft drie weken in mijn kluis gelegen.”

Hij hield de zak omhoog.

„En u moet weten wat hij 's nachts zei. Als de morfine werkte.”