VLIEG VANAVOND NOG NAAR VANCOUVER

Deel 8: Een handtekening met een lus, en de spaarpot van Lucas

Om kwart over elf 's avonds zat ik in het kantoor van mijn man in de Waalhaven, op zijn leren stoel, met de spaarpot van mijn zoon naast het toetsenbord.

Het was een varken van blauw plastic. Lucas had het me bij het avondeten gegeven, met beide handen, zoals je iets geeft wat zwaar is.

„Voor de bank,” had hij gezegd. „Tante Riet zei dat de bank boos is.”

Er zat drieëntwintig euro en veertig cent in. Ik wist het precies, omdat hij het elke zaterdag telde. Ik had het varken meegenomen omdat ik niet wist wat ik er anders mee moest. Nu stond het tussen de map van de bankgarantie en een koude kop koffie uit de automaat op de gang, en keek het me aan met zijn geschilderde oogjes.

Kees Mulder zat tegenover me. Eenenzestig, een vest met elleboogstukken, een leesbril aan een koordje. Hij had zevenentwintig jaar de boeken van dit bedrijf bijgehouden, eerst voor Davids vader, daarna voor David. Tot David vorig jaar zei dat hij „te oud was voor de nieuwe tijd” en hem met drie maanden salaris naar huis stuurde.

Hij had zijn eigen sleutel nog. David had vergeten hem terug te vragen.

„Kijk,” zei hij. Hij legde de kopie van de bankgarantie naast een andere. Een kopie van mijn rijbewijs, die in de personeelsmap van het bedrijf zat. „Uw echte handtekening. En deze.”

Op de garantie stond C. van der Meer, met een lus in de M. Op mijn rijbewijs niet.

„Iemand heeft geoefend op een oude handtekening van u,” zei Kees. „Van vóór uw rijbewijs. Een trouwakte misschien. Mensen veranderen hun handtekening, en vervalsers weten dat niet.”

Mijn trouwakte. Tien jaar geleden. Toen zette ik de M nog met een lus, omdat ik dacht dat het chiquer stond. Ik was tweeëntwintig.

„Waar is het geld van die garantie gebleven?”

Kees draaide het scherm van de oude computer naar me toe. Hij had in twintig minuten gevonden waar de forensische accountants van de bank twee weken over hadden gedaan. Omdat hij wist waar David dingen verstopte. Onder namen die saai klonken.

„Drie komma één miljoen euro voor een bevoorradingsschip uit Gdansk,” zei hij. „Het schip is nooit gebouwd. De werf bestaat niet. Het geld ging naar een rekening in Canada. Daarvan is in maart een huis betaald in West Vancouver.”

Het huis van Emily. Het huis waar de zwarte auto voor de deur had gestaan.

„En dit.” Hij scrolde. Een rij kleine betalingen. Vijfduizend. Achtduizend. Twaalfduizend. Steeds naar hetzelfde Canadese bedrijf. R.P. Holdings Ltd. Omschrijving: onderhoud vaartuigen Canada.

„Wij hebben geen schepen in Canada,” zei Kees. „Nooit gehad.”

„R.P.,” zei ik. „Rick Postma.”

Ik maakte foto's van alles met mijn telefoon. Ik stuurde ze naar Saskia Bakker. Het was half twaalf, maar ze stuurde binnen een minuut een duimpje terug.

Toen leunde ik achterover in Davids stoel en keek naar het plafond.

Vanmiddag om drie uur had de bank beslag gelegd op mijn privérekening. Op het geld dat er nog over was na de koop van het bedrijf. Zeshonderdveertigduizend euro. Ze hadden ook beslag gelegd op het huis in Oog in Al. De rest van mijn vijf miljoen, één komma twee miljoen, stond nog op de derdengeldrekening van Van Dongen, „als zekerheid voor de overname”, zoals hij het noemde. Daar kon ik niet bij tot de overname helemaal was afgerond.

Ik had vijf miljoen euro gekregen voor de dood van mijn moeder. Vier weken later had ik drieëntwintig euro en veertig cent in een blauw varken.

En vrijdag stond ik voor een rechter die zou lezen dat ik wraakzuchtig was. Met een zorgmelding. Met een opname van zeventien seconden. Met een krantenkop.

„Mevrouw,” zei Kees zacht. „Er werken hier tweeënveertig mensen. Op de kade, in het magazijn, op de boten. Ze weten niet wat er gebeurt. Morgen staat het in de krant dat de nieuwe eigenaar failliet is.”

„Ik ben niet failliet.”

„Nog niet,” zei hij. Hij zei het als een boekhouder, niet als een dreiging.

Ik pakte het blauwe varken en draaide het om. Onderop zat een rubberen dop. Lucas kon hem er niet zelf uit krijgen, dat deed ik altijd voor hem. Ik zette het varken weer neer zonder de dop eruit te halen.

„Hoe was mijn moeder?” vroeg ik ineens. Ik weet niet waarom. „U heeft haar gekend. Ze kwam hier vroeger soms, met de kerstpakketten.”

Kees keek me aan over zijn leesbril. Toen glimlachte hij voor het eerst.

„Marijke,” zei hij. „Ze bracht elk jaar een appeltaart mee voor de jongens van de kade. Zelfgebakken. Ze zei: die jongens krijgen nooit iets wat niet in plastic zit.” Hij zette zijn bril af. „Toen ze overleed, heeft David geen kaart naar de kade gestuurd. Ik wel. Uit mijn eigen zak. Ik heb er namens het bedrijf een krans van laten maken. Ze hebben allemaal getekend.”

Ik wist niet dat er een krans van de haven was geweest. Ik had op die begrafenis niets gezien. Alleen de kist.

„Dank u,” zei ik.

„Niks te danken. Ze was een goed mens.” Hij zette zijn bril weer op. „Uw moeder zou niet in die stoel zijn gaan zitten om te huilen, mevrouw. Ze zou appeltaart hebben gebakken en daarna iemand de waarheid hebben gezegd.”

Ik lachte. Het voelde raar in mijn keel.

Om tien voor twaalf ging mijn telefoon. Gunther. Hij logeerde in een pension in Utrecht, op mijn kosten, tot het onderzoek naar hem klaar was. Hij belde nooit. Hij stuurde berichten van drie woorden.

„Mevrouw. Ik heb iets gevonden.” Hij klonk anders. Gespannen. „Ik was mijn koffer aan het uitpakken. Ik moest mijn uniform terugsturen naar het bureau, omdat ik geschorst ben.”

„Wat heb je gevonden?”

„Een envelop. Meneer Kramer gaf hem me in de tweede week. Ik moest hem op de post doen naar Amsterdam. Naar een adres op de Keizersgracht. Ik doe niets op de post zonder toestemming van de opdrachtgever, dat is een regel. Dus ik heb hem in mijn koffer gestopt om het u te vragen. En toen ben ik het vergeten.” Hij zweeg even. „Het spijt me. Ik vergeet nooit iets.”

„Gunther, wat staat erop?”

„Een adres. Geen naam. Keizersgracht 418.” Ik hoorde papier. „Hij is dichtgeplakt. Maar hij is niet dik. Eén vel, denk ik. En door de envelop heen kan ik iets lezen, als ik hem tegen de lamp houd. Rechtsonder. Een stempel van een verzekeraar. En een cijfer.”

Mijn hart sloeg een slag over.

„Welk cijfer?”

„Een zeven,” zei Gunther. „Moet ik hem openmaken?”

Ik stond al. Ik had het varken onder mijn arm en mijn autosleutels in mijn hand.

Keizersgracht 418. Ik kende dat adres. Ik had er de afgelopen zes jaar minstens vijftig keer aangebeld, met een map onder mijn arm vol medische dossiers van mijn moeder.

„Niet openmaken,” zei ik. „Ik kom eraan.”