Waar je vroeger naar de markt ging om juist goedkoop je boodschappen te scoren — groente, kaas, vlees en natuurlijk een vers brood — kun je op de Amsterdamse Noordermarkt ineens broden tegenkomen met een prijs waar je even van knippert: 22 euro voor één brood.
Echt waar: tweeëntwintig euro.
Voor dat bedrag neem je bij sommige supermarkten meerdere broden mee. Toch is er inmiddels ook een groep die zonder moeite twintig euro of meer neerlegt voor een ambachtelijk brood.
Van alledaags basisvoedsel naar luxe-item
Brood is zo ongeveer het meest gewone wat er op tafel ligt. Meel of bloem, water, zout en iets dat het laat rijzen: meer is er in de kern al eeuwen niet nodig.
Toch is er de laatste jaren een totaal andere broodscene ontstaan. Zuurdesem, bio-ingrediënten, bijzondere granen en recepten die uren of zelfs dagen in beslag nemen, winnen terrein.
Dat levert soms een pittig prijskaartje op.
Een brood van vijf of zes euro bij een ambachtelijke bakker vinden veel mensen inmiddels heel normaal. Maar 22 euro is een bedrag waarbij zelfs de doorgewinterde broodfan waarschijnlijk even slikt.

Wat levert 22 euro je dan op?
Bij zulke bedragen wijzen bakkers doorgaans op vakmanschap, topingrediënten, lange fermentatieprocessen en kleine oplages.
Dat maakt een brood inderdaad duurder dan het fabrieksbrood uit de supermarkt.
Maar de vraag blijft: wanneer is duur gewoon te duur?
Hoeveel lekkerder kan een boterham nou écht zijn om een prijs van 22 euro te rechtvaardigen?
Voor de één voelt het als een goede fles wijn of een mooie kaas: iets speciaals waar je bewust meer voor neertelt. Voor een ander blijft het gewoon meel met water waarvoor een bizar bedrag gevraagd wordt.