DE BLAUWE VLUCHTTAS

Deel 15: 14 maart, een taart met tien kaarsjes en een brief die negen jaar in een jaszak zat

Zes maanden later hing er een nieuwe kalender op de koelkast.

Een goedkope, van de Action, met foto's van hondjes. Eli had hem zelf uitgekozen. Op de bladzijde van maart had hij met een rode stift een cirkel gezet om de 14. Zo dik dat de stift door het papier was gegaan en er een rode vlek op de koelkastdeur zat.

„Die gaat er niet meer af,” zei ik.

„Mooi,” zei hij.

Ik heb hem laten zitten.

We woonden nog steeds in het appartement in Utrecht. Twee kamers, het balkon, het fornuis met twee pitten. Ik had genoeg geld om iets groters te kopen. Dat wist ik nu. De stichting was ontdaan van haar bestuurder en een rechter had een bewindvoerder aangewezen tot ik zelf alles kon overzien. Het deel van Iris, het geld dat Christian negen jaar lang via adviesvergoedingen had weggesluisd, werd voor een deel teruggehaald. Wat er terugkwam, staat op naam van Eli. Hij mag er pas aan als hij eenentwintig is. Dat heb ik zo laten vastleggen. Bij een notaris in Utrecht die ik via Google heb gevonden en die ik nooit had ontmoet.

Ik werk nog steeds op school. Drie dagen per week. Ik smeer nog steeds boterhammen.

In februari was de uitspraak geweest. Rechtbank Den Haag. Ik zat op de publieke tribune, met Bas naast me, in dat overhemd met de te korte mouwen.

Christian van Dongen kreeg twintig jaar. Voor de moord op mijn zus. Voor de samenspanning tegen mij. Voor de verduistering. Hij keek niet één keer naar de tribune. Toen de rechter het vonnis uitsprak, zette hij zijn leesbril af en vouwde hem dicht, alsof een vergadering was afgelopen.

Maurits Reuchlin kreeg veertien jaar. Hij had alles verteld. Hij had om mijn zus gehuild in de rechtszaal. Ik weet niet wat ik daarvan vind. Ik weet het nog steeds niet.

Eleanor kreeg zes jaar. Voor medeplichtigheid en voor het onttrekken van een kind aan het gezag. Ze droeg weer grijs. Bij het weggaan keek ze naar de tribune. Niet naar mij. Ze zocht iemand. Eli was er niet. Ik had hem thuisgelaten, bij Sanne.

Drew kreeg drie jaar. Hij had getuigd. Twee dagen lang. Onze scheiding was in januari rond. Hij heeft een brief geschreven voor Eli. Die ligt in een la. Eli weet dat hij er is. Hij heeft nog niet gevraagd of hij hem mag lezen.

Op 14 maart om vier uur 's middags zat ons appartement vol.

Bas was er, met een taart van de bakker in Zaandam, vierkant, met ELI 10 in blauwe letters. Sanne was er, met haar dochter, die meteen met Eli op de grond lego ging bouwen. Esther Visser kwam met een rol pepermunt en een cadeautje dat ze in de gang verstopte. De pleegmoeder uit Almere kwam ook, met haar Feyenoord-sleutelhanger en een voetbal, want ze had gehoord dat Eli nu op voetbal zat.

Mr. Dekker kwam als laatste. Met haar thermoskan.

„Ik weet dat het een feestje is,” zei ze. „Maar ik vertrouw andermans koffie niet.”

Fenna zat in de wipstoel op tafel en was boos op iedereen. Ze was zes maanden. Ze had twee tandjes en een eigen mening over alles.

We zongen. Eli blies de kaarsjes uit in één keer. Tien. Bas telde ze hardop mee, en bij tien moest hij even naar het balkon.

Ik ging hem achterna. Hij stond tegen de reling geleund en keek naar de parkeerplaats.

„Gaat het?” vroeg ik.

„Ik heb vanochtend een kaarsje aangestoken,” zei hij. „Zoals elk jaar. Maar ik heb er maar één aangestoken.” Hij veegde met de rug van zijn hand onder zijn neus. „Eén. Voor haar. Het andere hoefde niet meer.”

Ik legde mijn hand op zijn arm. Ik zei niks. Er was niks te zeggen.

Eli wist wat er in de kast lag. Hij had er de hele dag niet naar gevraagd. Ook niet bij het ontbijt, toen ik zijn broodtrommel klaarzette en hij zei dat hij op zijn verjaardag geen boterhammen wilde, maar een croissant. Ook niet na school. Hij wachtte tot iedereen weg was.

Om acht uur 's avonds zat hij in zijn pyjama op de bank. De dinosauruspyjama, die eigenlijk te kort was geworden. Fenna sliep. Bas was gebleven. Hij zat op de stoel tegenover de bank en draaide zijn autosleutels rond in zijn handen.

Ik pakte de envelop uit de kast. Ik gaf hem aan Eli.

Hij hield hem een hele tijd vast. Hij draaide hem om. Hij streek over het handschrift.

„Wil jij hem voorlezen?” vroeg hij.

„Weet je het zeker? Hij is voor jou.”

„Ik lees langzaam. Jij leest zoals zij praat.”

Ik wist niet hoe hij dat kon weten. Hij had haar nooit horen praten.

Ik maakte de envelop open. Eén vel. Iris' handschrift, nog schever dan in mijn brief. Alsof ze het in bed had geschreven, op haar knieën, met een buik ertussen.

Lieve Eli,

Als je dit leest, ben je tien en weet ik niet waar ik ben. Misschien zit ik naast je. Dan is dit gewoon een stomme brief en lachen we erom. Ik hoop het.

Als ik er niet ben: je papa heet Bas. Hij heeft altijd zwarte nagels, dat is geen vuil, dat is werk. Hij kan alles maken wat kapot is. Vraag het hem maar.

En je hebt een tante. Ze heet Megan, maar ik noem haar Megje. Ze is koppig en ze heeft een rare pony. Als zij voor je zorgt, mag je haar mama noemen. Ik vind dat niet erg. Echt niet. Ik zou het zelf ook doen.

Ik hou van je. Al voordat je er was. Al vanaf de eerste keer dat je schopte, in de bus naar Zaandam, zo hard dat ik mijn koffie omgooide.

Je moeder,

Iris

Ik las het langzaam. Bij de pony moest Bas lachen. Bij de koffie moest ik stoppen.

Eli zei een hele tijd niks. Hij pakte de brief uit mijn handen en vouwde hem zorgvuldig weer op. Langs de oude vouwen. Recht. Strak. Net zoals hij die dozen in de babykamer had ingepakt.

Toen stond hij op en liep naar zijn kamer. Ik hoorde een rits.

Hij kwam terug met de blauwe tas.

Het witte kruis was nog verder afgebladderd. De rafels aan de bodem had Bas in november gerepareerd, met een naald uit de garage. Strakke steken. Niet zwart. Blauw.

Eli liep langs ons heen. Naar de kamer van Fenna. Ik ging achter hem aan en bleef in de deuropening staan.

Hij zette de tas naast haar ledikant neer. Op de grond, rechtop, met het kruis naar voren. Daarna stopte hij de brief in het zijvak.

„Die is nu van haar,” zei hij. „Voor als zij ooit naar het ziekenhuis moet.”

„En de brief?”

„Die mag ze lezen als ze tien is.” Hij keek me aan. „Dan lees jij hem voor.”

Fenna bewoog in haar slaap. Ze balde een vuistje en ontspande het weer.

Eli liep naar me toe en bleef voor me staan. Hij was gegroeid. Zijn hoofd kwam nu tot mijn schouder.

„Mag ik je dan gewoon mama noemen?” vroeg hij. „Zonder Megan erachter?”

Ik knikte. Ik kon niks zeggen.

„Oké,” zei hij. „Welterusten, mam.”

Hij liep naar zijn kamer en liet de deur op een kier. Zoals altijd. Want hij kan niet slapen als hij helemaal dicht is.