DE BLAUWE VLUCHTTAS

Deel 14: Een lege kluis, een rieten dak en wat Eleanor in de parkeergarage tegen de baby zei

Dit stuk vertelde Eli me later. In zijn eigen woorden. Ik heb het opgeschreven zoals hij het zei.

Ik zat in de hoek bij het raam. Op de grond, met mijn rug tegen de verwarming, want oma zei dat ik daar moest blijven zitten. Ik had nog maar één sok aan. De andere had ik bij school bij het hek laten vallen, expres, zodat Mama Megan zou zien dat ik niet zelf was meegegaan. Dat had ik in een film gezien.

Oma had een schilderij van de muur gehaald. Daarachter zat een deurtje van ijzer. Ze draaide aan een wieltje. Het ging open.

Er zat niks in.

Helemaal niks. Alleen stof en een paperclip.

Toen liet ze het schilderij vallen. Het was zwaar, met een gouden lijst. En toen ging ze lachen. Ik was banger van het lachen dan van het huilen in de auto.

Tot hier Eli.

Ik wachtte niet op de politie. Ik weet dat ik dat had moeten doen. Sanne zei het drie keer. Bas stond naast de bestelbus en zei niks, maar hij liep met me mee tot aan de voordeur.

„Ik ga eerst,” zei hij.

„Nee. Ze kent jou niet. Als ze jou ziet, wordt het erger.”

Hij keek me aan. Hij knikte. Hij bleef op de drempel staan, met zijn grote handen langs zijn lichaam.

Fenna had ik bij Sanne gelaten. In de auto. Met de deuren op slot.

Het huis rook naar vocht en lavendel. In de gang hingen regenjassen aan haakjes. Een kinderjasje ertussen, geel, veel te klein. Ik wist meteen van wie dat was geweest. Van Drew. Dertig jaar geleden.

Ik volgde het lachen. Het kwam uit een kamer aan het eind van de gang. Een studeerkamer met boekenkasten tot het plafond en een groot bureau voor het raam.

Eleanor zat op de grond.

Op een Perzisch tapijt, naast een schilderij in een gouden lijst dat met het glas naar beneden lag. Boven haar, in de muur, een open kluis. Leeg. Haar kamelkleurige jas zat onder het stof. Haar knot was half losgegaan. Ze had haar schoenen uitgetrokken en die stonden naast haar, netjes naast elkaar, alsof ze bij iemand op visite was.

In de hoek bij het raam zat Eli.

Hij zag me. Hij stond niet op. Hij keek naar Eleanor en toen weer naar mij, en ik zag dat hij wachtte op toestemming.

„Hallo, Eli,” zei ik. Rustig. Zo gewoon mogelijk. „Ik ben er.”

Eleanor hield op met lachen. Ze keek naar me op. Haar mascara was uitgelopen.

„Hij heeft hem leeggehaald,” zei ze. „Christian. Weken geleden al. Hij wist dat het mis zou gaan. Hij heeft alles meegenomen en mij niks verteld. Vijfendertig jaar, Megan. Vijfendertig jaar en hij laat mij niet eens een paspoort.”

„De politie komt zo, Eleanor.”

„Dat weet ik.” Ze veegde onder haar oog. Het maakte het erger. „Ik ben niet dom.”

Ik deed een stap de kamer in. Zij bewoog niet. Ik deed nog een stap.

„Eli,” zei ik. „Kom maar naar mij toe.”

Hij keek naar haar.

Eleanor keek ook naar hem. Heel lang. Toen zei ze, zonder haar ogen van hem af te halen:

„Hij wilde hem ook weg hebben. Wist je dat?”

Ik bleef staan.

„Die nacht. In de parkeergarage. Christian zei dat Reuchlin het kind ook moest laten verdwijnen. Allebei, zei hij. Een doodgeboren kind is makkelijk. Niemand vraagt ernaar. Maar Reuchlin kwam naar beneden met die reiswieg en hij had het niet gedaan. Hij kon het niet. En toen stond ik daar.”

Ze stak haar hand uit, in de lucht, alsof ze nog steeds die reiswieg vasthield.

„Ik heb hem eruit gehaald. Hij was zo klein. Hij had een bandje om zijn pols met zijn naam erop. Ik heb tegen hem gezegd: jij bent nu van mij. Niemand doet jou iets. En ik heb tegen Christian gezegd dat als hij hem aanraakte, ik naar de politie zou gaan. De enige keer in mijn leven dat ik nee heb gezegd tegen die man.”

Eli zat doodstil.

„Het bandje,” zei ik. „Het zat in Iris' tas. Onder de bodem.”

„Dat heb ik erin gestopt. Een week later, voordat ze haar spullen teruggaven aan jullie opa. Ik zag dat de bodem was dichtgenaaid. Ik heb de naad losgemaakt, het bandje bij haar brief gelegd en het weer dichtgenaaid. Met zwart garen. Haar steken waren netter dan de mijne.” Ze keek naar haar kousenvoeten. „Ik weet niet waarom. Misschien wilde ik dat iemand het ooit zou vinden.”

„En daarna,” zei ik, „heb je hem negen jaar in een bijkeuken gezet als hij huilde.”

Ze keek me aan. Er was geen schaamte in haar gezicht. Alleen moeheid.

„Omdat hij op haar leek,” zei ze. „Elke dag. Op die vrouw die alles kreeg. Dat geld. Die opa. Die jongen met zijn garage. Ik kreeg een flatje in Voorburg en een envelop per maand.” Ze haalde haar schouders op. „Ik heb nooit gezegd dat ik een goed mens was, Megan. Ik heb gezegd dat ik hem heb gehouden.”

„En mij wilde je dinsdag laten sterven.”

„Ik heb gezegd wat Christian zei.” Ze sloot haar ogen. „Dat doe ik al mijn hele leven.”

Buiten hoorde ik banden op het grind. Portieren. Iemand die riep: Politie!

Eleanor deed haar ogen open en keek naar Eli.

„Ga maar,” zei ze tegen hem. Heel zacht. „Ga maar naar haar toe. Je hebt haar sok bij het hek gelegd, hè? Slim jochie.”

Eli stond op. Hij liep niet naar haar. Hij liep met een boog om haar heen, langs de boekenkast, en toen rende hij de laatste meters. Hij botste tegen mijn benen aan. Ik voelde mijn wond trekken en het kon me niks schelen.

„Je hebt maar één sok aan,” zei ik in zijn haar.

„De andere ligt bij school.”

„Nee. Die zit in mijn jaszak.”

Hij voelde. Hij haalde hem eruit. Hij begon te lachen en te huilen tegelijk.

De kamer liep vol met mannen in zwart. Iemand zei handen waar ik ze kan zien. Eleanor stak ze op, zonder op te staan. Twee agenten tilden haar overeind. Ze liet het gebeuren. Bij de deur vroeg ze of ze haar schoenen mocht aantrekken. Dat mocht.

Toen ze langs me liep, bleef ze staan. De agent liet het toe.

Ze stak haar hand in de binnenzak van haar jas. De agent greep haar pols. Ze bleef heel rustig.

„Het is een envelop,” zei ze. „Kijk maar.”

De agent haalde hem eruit. Hij keek erin. Hij knikte en gaf hem aan mij.

Een oude envelop, vergeeld, zacht geworden van het jarenlang in een jaszak zitten. Dichtgeplakt. Op de voorkant, in dat snelle, scheve handschrift met de rondjes boven de i:

Voor Eli. Pas openmaken als hij tien is.

„Die zat ook in de tas,” zei Eleanor. „Christian heeft hem eruit gehaald, die nacht. Hij wilde hem verbranden. Ik heb hem uit de prullenbak gehaald. Ik heb hem nooit opengemaakt.”

Ze keek naar Eli. Daarna naar mij.

„Dat was het enige wat ik ooit goed heb gedaan,” zei ze. „Vertel hem dat maar niet.”

Ze liep naar buiten. Ik hoorde het portier van de politieauto dichtgaan.

Eli keek naar de envelop in mijn hand. Hij las de voorkant. Hij las hem nog een keer, met zijn lippen bewegend.

„Is die van mijn moeder?”

„Ja.”

„Wanneer word ik tien?”

Ik wist het antwoord. Hij wist het ook. Maar hij wilde het horen.

„Op 14 maart,” zei ik.