DE BLAUWE VLUCHTTAS

Deel 13: Een witte Mercedes op de N59 en een telefoontje vanaf een tankstation bij Zierikzee

Op de stoep voor de school lag één dinosaurussok.

Ik zag hem pas toen Sanne de auto had geparkeerd en ik met Fenna in de draagdoek over het schoolplein strompelde, veel te snel, met de wond die trok bij elke stap. Een grijze sok met groene dino's. Hij lag bij het hek, half in een plas, alsof hij uit een schooltas was gevallen terwijl iemand werd meegetrokken.

Ik raapte hem op. Hij was nog niet eens helemaal nat.

Meneer Postma stond in de deuropening van de school. Hij was bleek en hij had de brief in zijn hand.

„Ik had moeten bellen,” zei hij. „Ik had eerst moeten bellen. Het spijt me zo.”

Ik pakte de brief aan. Wit papier. Getypt. Hierbij geef ik, Megan van der Meer, toestemming aan mevrouw E. de Wit om mijn zoon Eli vandaag van school op te halen, wegens ziekte. Eronder mijn handtekening.

Het was mijn handtekening. Bijna. De M was te rond. Ik schrijf mijn M met twee punten, als bergen. Deze was een golf.

„Hij is niet uw schuld,” zei ik tegen Postma. Ik meende het niet helemaal, maar hij zag er zo ellendig uit.

„Ze had haar auto aan de overkant. Een witte Mercedes. Eli wilde niet instappen. Hij heeft zich vastgehouden aan het hek. Ze zei dat jij in het ziekenhuis lag en dat de baby ziek was. Toen is hij ingestapt.”

Natuurlijk was hij ingestapt. Voor Fenna stapte hij overal in.

Mr. Dekker nam op na de eerste keer overgaan. Ik hoorde aan haar stem dat ze het al wist.

„Esther belde net. We zoeken de auto. Kenteken loopt via de camera's.”

„Ze heeft een meldplicht. Ze heeft een contactverbod.”

„Met jou. Niet met hem. Dat is precies het gat waar ze doorheen is gekropen.” Een korte stilte. „Megan, ik wil dat je naar huis gaat en daar blijft. Als ze contact opneemt, moet je bereikbaar zijn.”

„Ik ga niet naar huis.”

„Megan—”

„Waar zou ze heen gaan, Annemijn? Ze heeft geen geld meer. Christian zit vast. Van Heemstra is weg. Waar gaat ze heen?”

Ze gaf geen antwoord. Ik hoorde haar typen.

Sanne stond naast me met de autosleutels in haar hand. „Megan. Denk na. Waar ging ze altijd heen als ze weg wilde?”

En toen wist ik het.

Elke zomer. Twee weken. Drew had er foto's van in een album dat ik nooit mocht verplaatsen. Een wit huis met een rieten dak achter de duinen. Eleanor in een strandstoel met een grote hoed. Christian op de achtergrond, altijd een beetje wazig, alsof hij nooit helemaal op de foto mocht.

Het huis in Zeeland. Zo noemden ze het. Nooit met een adres. Gewoon: Zeeland.

„Burgh-Haamstede,” zei ik. „Achter de duinen. Het staat op naam van Christian.”

Mr. Dekker typte. „Ik heb het. Kerkweg. Ik stuur de politie Zeeland erheen.”

„Ik ga ook.”

„Dat raad ik je af.”

„Dat weet ik.”

Ze zuchtte. „Rij in godsnaam niet zelf.”

Sanne reed. Bas reed achter ons aan met de bestelbus van de garage. Hij had niks gevraagd. Ik had hem gebeld en gezegd Eli, en hij had gezegd waar, en toen hoorde ik al een motor starten.

Fenna lag in de Maxi-Cosi op de achterbank. Ze sliep. Ik zat ernaast, met mijn hand op haar buikje, omdat ik ergens iets moest vasthouden. De dinosaurussok zat in mijn jaszak.

Over de A15. De A29. De Haringvlietbrug, met het water dat grijs en breed onder ons lag. Ik keek steeds op mijn telefoon. Niets. Ik keek naar de klok op het dashboard. 15.21 uur. 15.34 uur.

„Hoe lang nog?” vroeg ik.

„Drie kwartier,” zei Sanne. „Als het meezit.”

Om 15.48 uur ging mijn telefoon.

Een 06-nummer dat ik niet kende. Ik nam op voordat hij twee keer was overgegaan.

„Hallo?”

Eerst niks. Gefluister. Een kraan die liep. Toen:

„Mama Megan?”

Ik moest mijn hand over mijn mond doen.

„Eli. Lieverd. Waar ben je?”

„Bij een tankstation. Op de wc. Ik heb de telefoon van een mevrouw geleend. Ze staat voor de deur.” Hij praatte snel en zacht, zoals hij praatte als hij bang was dat hij iets fout deed. „Oma zei dat je ziek was. Is dat waar?”

„Nee. Ik ben niet ziek. Fenna ook niet. We zijn allebei hier. We komen je halen.”

„Oma huilt in de auto. De hele tijd.”

„Weet je waar je bent? Wat staat er op de borden?”

„Zierikzee. Er stond een bord met Zierikzee. En een brug, een hele lange.”

Ze waren de brug al over. Ze waren verder dan wij.

„Eli, luister. Zei oma waar jullie heen gaan?”

„Naar het huis van opa Christian. Ze zei dat daar een kluis is met geld en paspoorten. En dan gaan we met de boot. Ze zei dat we in België een nieuw huis krijgen. Dat ik dan een andere naam krijg.” Zijn stem brak. „Ik wil geen andere naam.”

„Je krijgt geen andere naam. Je heet Eli. Dat heeft je moeder bedacht. Niemand neemt dat van je af.”

Op de achtergrond klopte iemand op een deur. Een vrouwenstem, gedempt. Jongen? Je oma vraagt waar je blijft.

„Ik moet gaan,” fluisterde hij.

„Eli. Doe wat ze zegt. Wees niet dapper. Ik kom eraan. Hoor je me? Ik kom eraan.”

„Ik heb de tas niet,” zei hij. „Ik heb de tas bij jou gelaten.”

„Dat weet ik. Ik heb hem. Hij ligt in je kamer. Op je nieuwe bed.”

Een korte stilte.

„Heb ik een nieuw bed?”

„Met dino's.”

Hij zei iets wat ik niet verstond. De kraan werd dichtgedraaid. Toen was hij weg.

Ik belde mr. Dekker. Ze had het nummer al van de provider, binnen twee minuten. Tankstation aan de N59, bij de afslag Zierikzee. De vrouw van de telefoon werd gebeld door de politie. Ze had de witte Mercedes zien wegrijden. Richting Renesse.

„Ze rijden naar het huis,” zei mr. Dekker. „Er zijn twee wagens onderweg. Een arrestatieteam uit Middelburg. Twintig minuten.”

„Wij zijn er over een half uur.”

„Megan. Jij blijft in de auto als je er bent.”

Ik zei niks.

We kwamen om 16.31 uur bij de Kerkweg. Een smalle weg tussen de duinen, met aan het eind een wit huis met een rieten dak. Ik herkende het van de foto's. De strandstoelen stonden nog op het terras, ingeklapt, onder een zeil.

Er stonden geen politieauto's.

Wel een witte Mercedes. Scheef geparkeerd op het grind, met het portier aan de bestuurderskant open. Het lampje binnenin brandde nog.

De voordeur van het huis stond op een kier.

Op de deurmat lag een schooltas. Blauw, met een reflecterend streepje. Eli's tas.

Hij was opengeritst. Alles eruit. Zijn etui. Zijn rekenboek. Een lege broodtrommel.

Sanne pakte mijn arm. „Megan. Wacht op de politie.”

Binnen in het huis viel iets op de grond. Iets zwaars. Metaal.

En toen hoorde ik Eleanor. Niet schreeuwen. Lachen. Een raar, hoog lachje dat niet ophield.