Deel 12: Gate D7, een vlucht naar Istanbul en een verkeerde naam op de lijst van de school
„Hij staat in de rij bij de paspoortcontrole,” zei de stem uit de telefoon van mr. Dekker. „Grijze jas. Rolkoffer. Hij heeft een boek in zijn hand.”
Ze had de telefoon op de luidspreker gezet en midden op de tafel gelegd, naast het konijn. Ik zat er nog steeds, in mijn rolstoel, met Fenna in de draagdoek. Niemand had me teruggebracht naar boven. Ik wilde ook niet.
„Laat hem door de controle,” zei mr. Dekker. „Pak hem achter de douane. Dan kan hij niet zeggen dat hij nog niet weg was.”
„Begrepen.”
Het was 13.38 uur. De soep was koud geworden. Het meisje van de bediening had twee keer gevraagd of we nog iets wilden en was toen gestopt met vragen.
Om 13.41 uur hoorden we het.
Eerst niks. Omroepberichten. Een kind dat huilde. Rolkoffers op tegels. Toen een stem, dichtbij de telefoon: „Meneer Van Dongen? Koninklijke Marechaussee. Wilt u even met ons meelopen?”
En toen zijn stem. Kalm. Beleefd. Zoals altijd.
„Er moet sprake zijn van een vergissing. Ik ben notaris.”
„Dat weten we, meneer.”
„Ik heb een vlucht.”
„Die heeft u niet meer.”
Er was een geluid. Iets wat op de grond viel. Een boek, denk ik. Daarna niks meer, alleen voetstappen en een deur.
Mr. Dekker pakte de telefoon van tafel en zette de luidspreker uit. Ze keek me aan.
„Gate D7,” zei ze. „Hij was er bijna.”
Ik zei niks. Ik keek naar het konijn. Naar het roze strikje.
Ik had verwacht dat ik zou huilen. Of lachen. Of iets voelen wat groot was. Maar ik voelde alleen dat Fenna nat was, en dat ik naar boven moest, en dat de Kruidvat-tas met het kolfapparaat nog naast de kassa stond.
„Kun je me naar boven brengen?” vroeg ik.
„Natuurlijk.”
Wat er de dagen daarna gebeurde, weet ik vooral uit de berichten die mr. Dekker me stuurde. Kort. Zonder hoofdletters soms, alsof ze ze tussen twee verhoren door typte.
kluis op kantoor geopend. echte dossier duinzicht aanwezig. ook tweede paspoort.
kluisje abn leidschendam: reuchlin had gelijk. alles klopt. handtekeningen van beiden.
reuchlin heeft volledige verklaring afgelegd. vier uur lang.
drew ook. hij wil getuigen.
eleanor zegt niks. van heemstra heeft zich teruggetrokken als haar advocaat.
Dat laatste bericht las ik drie keer.
Op de vijfde dag na de bevalling mocht ik naar huis. Niet naar ons huis. Daar wilde ik niet meer slapen, niet met die babykamer en dat wiegje met de losgedraaide bouten. Esther Visser had een appartement voor ons gevonden in Utrecht, via een woningcorporatie die iets regelde voor vrouwen in een noodsituatie. Twee kamers, een balkon, een keuken met een fornuis waarvan maar twee pitten werkten.
Bas bracht de spullen. Hij reed drie keer heen en weer met een bestelbus van de garage. De dozen die Eli had gepakt, met de kleertjes en de luiers en de wikkeldekens. Het autostoeltje. De Marktplaats-kinderwagen uit de garage, waarvan één wiel piepte.
„Dat kan ik maken,” zei Bas. „Dat is een lager.”
Hij ging op zijn knieën in de gang zitten, met een schroevendraaier uit zijn achterzak, en maakte het. Daarna bleef hij zitten. Hij keek naar de dozen.
„Heeft hij dit allemaal zelf ingepakt?”
„Ja.”
„Netjes.” Hij streek over het plakband. „Iris pakte ook altijd alles zo in. Strak. Alles recht.”
Op de zesde dag was de nieuwe zitting. Vervroegd, omdat de rechter alle stukken had gekregen. Bas zat naast me. Hij droeg een overhemd dat hij duidelijk in jaren niet had aangehad. De mouwen waren te kort.
Rechter Timmermans las alles. Ze stelde Bas drie vragen. Of hij wist dat hij een zoon had. Nee. Of hij hem wilde leren kennen. Ja. Of hij het goed vond dat de jongen voorlopig bij mij woonde, zijn tante, met wie hij vier jaar had samengewoond.
Bas keek naar mij. „Ja. Natuurlijk. Hij kent haar. Mij kent hij niet.”
„Nog niet,” zei de rechter.
Ze gaf ons samen het voorlopige gezag. Eli zou over drie dagen thuiskomen. Op een vrijdag, na school. De pleegmoeder zou hem naar school brengen en ik zou hem ophalen. Zo was het afgesproken. Zo zou hij gewoon uit school komen, zoals altijd, en naar huis gaan.
Ik heb die drie dagen gebruikt om zijn kamer in te richten. Bas had een bed gebracht. Ik had een dekbedovertrek met dinosaurussen gekocht bij de Hema, omdat hij die pyjama altijd droeg. Ik zette een broodtrommel op het aanrecht. Ik kocht pindakaas.
Op vrijdag stond ik om twee uur klaar. Fenna in de draagdoek. Sanne zou me rijden, want ik mocht nog niet zelf achter het stuur. Ik had mijn jas al aan.
Om 14.12 uur ging mijn telefoon.
Een nummer dat ik kende. De school. De directeur, meneer Postma, die altijd goedemiddag mevrouw zei, ook als het ochtend was.
„Mevrouw Van der Meer? Met Postma. Ik bel even om te checken, er is vast niks aan de hand. Maar u had toch gezegd dat u Eli zelf zou ophalen?”
„Ja. Ik kom er nu aan.”
Het bleef even stil.
„Hij is al opgehaald,” zei hij. „Om kwart over één. Door zijn oma. Ze stond nog op onze ophaallijst, als vaste contactpersoon, en ze had een brief bij zich met uw handtekening erop. Waarin stond dat u ziek was en dat zij—”