DE BLAUWE VLUCHTTAS

Deel 11: Een kop thee, een knuffelkonijn en de man die bij Iris' hoofd stond

Twee uur later zou dokter Maurits Reuchlin in een verhoorkamer in Utrecht zitten en om mijn zus huilen.

Maar om 11.03 uur schoof hij gewoon een stoel aan, legde zijn telefoon op tafel en bestelde thee.

„Rooibos,” zei hij tegen het meisje van de bediening. „Zonder suiker.”

Ik had het konijn op mijn schoot. Ik zette het op tafel, tussen mij en hen in, naast het suikerpotje. Christian keek ernaar en glimlachte.

„Ze vindt hem mooi?”

„Ze kijkt er steeds naar.”

„Dat dacht ik al.” Hij klopte het konijn op zijn kop. Twee keer. Ik voelde mijn rug nat worden onder mijn vest.

Hij opende zijn leren map en legde drie documenten voor me neer. Hij draaide ze om, zodat ik ze kon lezen. Een volmacht. Een bestuursbesluit van de stichting. Een verzoek aan de kinderrechter.

„Dit is een algemene volmacht,” zei hij. „Ik regel alles voor je zolang je herstelt. Rekeningen, advocaten, de stichting. Dit is een besluit waarin jij mij benoemt tot enig bestuurder, zodat ik snel kan handelen. En dit is een verzoek waarin jij aangeeft dat je mij als voogd wilt. Voor beide kinderen. Voor het geval dat.”

„Voor het geval wat?”

„Kraamtijd is zwaar, Megan. Vrouwen raken uitgeput. Er kan van alles gebeuren.” Hij knikte naar Reuchlin. „Daarom heb ik Maurits meegenomen. Hij is arts. Als het nodig is, kan hij verklaren dat je op dit moment niet goed in staat bent om alleen voor twee kinderen te zorgen. Dat is geen dreigement. Dat is bescherming.”

Reuchlin roerde in zijn thee. Hij had er geen suiker in gedaan. Hij roerde toch.

„En Eli?” vroeg ik.

„Als jij tekent, heb ik hem binnen een week thuis. Bij jou. Onder mijn toezicht.”

„En als ik niet teken?”

Hij leunde achterover. Hij keek naar de families met ballonnen. Naar de oude man met de rollator.

„Weet je, je zus wilde ook niet tekenen.”

Ik hield de pen vast. Mijn hand bewoog niet.

„Wat moest Iris tekenen?”

„Hetzelfde. Een benoeming. Ze was zesentwintig en ze ging een kind krijgen van een automonteur, en ze wilde de stichting uit mijn handen halen en het geld laten beheren door een bank. Een bánk, Megan. Na alles wat ik voor jullie familie heb gedaan.” Hij schudde zijn hoofd, alsof het hem nog steeds verdriet deed. „Ik heb haar een kans gegeven. Ik heb haar een mooie kliniek gegeven. Ze heeft die kans laten liggen.”

„En toen?”

Hij keek me aan. Een lange, vriendelijke blik.

„Toen had ze complicaties.”

Ik tekende niet. Ik legde de pen neer.

„Ik moet even naar het toilet,” zei ik. „Ik heb net een keizersnede gehad.”

„Natuurlijk, meisje. Natuurlijk.” Hij stond zelf op. „Ik moet trouwens even bellen. Maurits, let jij op de kleine?”

Hij liep naar buiten, naar de schuifdeuren, met zijn telefoon al aan zijn oor. Ik bleef zitten. Ik ging niet naar het toilet. Ik had het alleen gezegd om tijd te winnen. Ik wist niet eens waarvoor.

Reuchlin en ik zaten tegenover elkaar. Tussen ons het konijn en de thee.

Hij keek naar Fenna. Ze was wakker geworden en maakte kleine smakgeluidjes tegen de draagdoek.

„Hoe heet ze?” vroeg hij.

„Fenna.”

Hij knikte langzaam. „Uw zus had ook donker haar. Toen ze geboren werd. Het jongetje, bedoel ik.”

Ik zei niks. Mr. Dekker had gezegd: als iemand begint te praten, laat hem praten. Niet helpen. Niet duwen.

„Ik stond bij haar hoofd,” zei hij. Zijn stem was zacht, bijna onhoorbaar boven het lawaai van het restaurant. „Bij een narcose sta je altijd bij het hoofd. Je ziet het gezicht. Je praat tegen ze terwijl ze wegzakken. Ik heb tegen haar gezegd dat ze aan iets moois moest denken. Ze zei: aan Bas.”

Hij pakte zijn kopje en zette het weer neer zonder te drinken.

„Ik had schulden. Gokken. Twee ton. Hij wist dat. Hij wist alles altijd. Hij zei dat het een kwestie van dosering was. Dat niemand het ooit zou zien. Dat was ook zo. Niemand heeft het ooit gezien.” Hij keek me eindelijk aan. „Het jongetje heb ik zelf naar beneden gebracht. Naar de parkeergarage. Om half twaalf. Hij huilde niet. Hij sliep de hele weg in de lift.”

„Waarom vertelt u me dit?”

„Omdat ik dinsdag hetzelfde had moeten doen.” Hij keek naar Fenna. „En omdat ik vanochtend in de auto zat en hij zei dat we eerst een kop thee gingen drinken met een jonge moeder. En ik dacht: ik kan het niet nog een keer. Ik kan niet nog een keer naast iemand zitten en thee drinken.”

Zijn handen trilden. Hij legde ze plat op tafel om het te laten ophouden.

„Ik heb een kopie,” zei hij. „Van het echte dossier van die nacht. Met de doseringen. Met mijn handtekening en de zijne. Ik heb het negen jaar bewaard in een kluisje bij de ABN AMRO in Leidschendam. Voor als hij mij ooit zou laten vallen.”

Achter hem, bij de pilaar, vouwde een vrouw haar krant op.

Mr. Dekker kwam niet snel. Ze liep gewoon naar onze tafel, trok de stoel van Christian naar achteren en ging zitten. Ze legde haar legitimatie naast het konijn.

„Dokter Reuchlin. Ik ben mr. Dekker, Openbaar Ministerie. Ik denk dat u dit allemaal nog een keer wilt vertellen. Maar dan op een plek waar u even koffie krijgt en een advocaat.”

Hij keek naar haar legitimatie. Toen naar het konijn. Hij begreep het. Ik zag het aan hem.

Hij begon niet te schreeuwen. Hij probeerde niet op te staan. Hij zei alleen: „Mag ik mijn thee nog opdrinken?”

„Natuurlijk,” zei ze.

Hij dronk hem op. Toen stond hij op en liep met twee mannen in spijkerbroek naar de achteringang.

Ik keek naar de schuifdeuren.

Christian stond er niet meer.

„Waar is hij?” vroeg ik.

Mr. Dekker had haar telefoon al aan haar oor. Ze luisterde. Haar gezicht veranderde niet, maar haar knokkels werden wit om het toestel.

„Hij is in zijn auto gestapt,” zei ze. „Hij heeft de parkeergarage verlaten via de uitgang aan de Heidelberglaan. Een collega rijdt hem achterna.”

„Gaat hij naar zijn kantoor? Naar de kluis?”

Ze schudde haar hoofd. Ze luisterde weer.

„Nee. Hij zit op de A2. Richting Amsterdam.” Een pauze. „Er staat een ticket op zijn naam. Schiphol. Vertrek 13.55 uur.”

Ik keek naar de klok boven de kassa van het restaurant.

12.06 uur.