DE BLAUWE VLUCHTTAS

Deel 10: Wat Eleanor in 1991 op de typemachine van notariskantoor Van Dongen schreef

Toen ik twintig was, nam Christian van Dongen me mee naar een restaurant in Den Haag om te vieren dat ik mijn diploma had gehaald.

Opa was te ziek om te komen. Christian had een tafel bij het raam gereserveerd en bestelde voor ons allebei de tong. Hij hief zijn glas en zei: „Op het meisje dat ik heb zien opgroeien.” Ik vond hem de liefste man van de wereld.

Elf jaar later zat ik in een Volvo die naar hond rook, op de vluchtstrook van de A6, met mijn telefoon tegen mijn oor, en hoorde ik mijn man uitleggen dat die liefste man van de wereld zijn vader was.

„Mijn moeder was zijn secretaresse,” zei Drew. „In 1991. Ze was negentien. Hij was getrouwd. Hij heeft haar een flat gegeven in Voorburg en een maandelijks bedrag, en hij heeft gezegd dat ik nooit mocht weten wie hij was. Ik was twaalf toen ik het ontdekte. Ik vond een foto. Hij en mijn moeder, op het strand bij Kijkduin, met mij in een draagzak.”

„Waarom vertel je me dit nu?”

„Omdat ik hier zit en hij niet.” Zijn stem brak. „Omdat hij me gisteren een advocaat heeft gestuurd die me heeft gezegd dat ik alles op mezelf moet nemen. Dat hij dan voor mijn moeder zorgt. Dat zegt hij al mijn hele leven, Meg. Doe wat ik zeg, dan zorg ik voor je moeder.”

„En Iris?”

Hij zweeg.

„Drew. Mijn zus.”

„Ik was vierentwintig. Hij belde me midden in de nacht. Ik moest naar de parkeergarage van Duinzicht rijden en een reiswieg ophalen bij een man in een groene operatiejas. Hij zei dat het een kind was van een cliënte die het niet wilde. Dat we het een goed leven konden geven. Mijn moeder stond naast me. Ze huilde. Ik dacht dat ze huilde omdat ze blij was.”

„En toen?”

„Toen zei hij dat ik hem moest erkennen. Dat het kind Eli heette, omdat dat al op een bandje stond en hij geen vragen wilde bij de verpleging. Ik heb getekend bij de gemeente. Moeder onbekend.” Hij ademde. „Ik heb het niet geweten, Meg. Van je zus. Dat zweer ik. Pas toen ik jou leerde kennen, en jij een foto van haar liet zien. Toen wist ik het. En ik heb niks gezegd.”

„Je hebt me leren kennen,” zei ik, „omdat hij je naar me toe heeft gestuurd.”

Hij gaf geen antwoord. Dat was het antwoord.

„En dinsdag? De keizersnede?”

„Ik zou de auto rijden.” Heel zacht. „Dat was alles. Ik zou je erheen rijden.”

Er klonk een stem op de achtergrond. Tijd.

„Meg. Nog één ding. Hij heeft een kluis op kantoor. Achter de kast met de oude registers. Daar ligt het echte dossier van Duinzicht. Niet de kopieën die hij jou gaf. Het echte.”

De lijn viel weg.

Sanne had de motor uitgezet. Ze keek me aan met haar handen nog op het stuur.

„Moet ik iets zeggen?” vroeg ze.

„Nee.”

„Oké.”

Ze startte de auto weer en reed verder. Bij de volgende afslag gaf ze me een rol drop uit het handschoenenkastje. Ik at er drie achter elkaar. Ik had sinds de bevalling niks gegeten wat niet uit een plastic bakje kwam.

Mr. Dekker kwam die avond naar de kraamsuite. Ze zat op de vensterbank met haar thermoskan en ik vertelde haar alles. Ze schreef niks op. Ze luisterde alleen.

„Een kluis achter de registers,” zei ze toen. „Voor een huiszoeking bij een notaris heb ik een rechter-commissaris nodig en een deken van de beroepsorganisatie die meekijkt. Dat duurt dagen. En als hij het ruikt, is die kluis leeg voordat wij binnen zijn.”

„Dus?”

„Dus moet hij niet ruiken dat we komen.” Ze keek naar het Hema-tasje dat nog steeds op de grond stond, naast de deur, waar hij het had neergezet. Het knuffelkonijn stak er half uit. Grijs, met lange oren en een roze strikje.

„Wat ga je doen?” vroeg ik.

„Ik niet. Jij.”

Ze legde het plan uit. Het was heel simpel. Daarom was het eng.

Ik zou mijn telefoon pakken. Christian deblokkeren. En hem een bericht sturen dat ik moe was. Dat ik niet meer kon. Dat ik het met Eli niet alleen redde en dat ik bereid was zijn volmacht te tekenen, als hij Eli uit dat pleeggezin kon halen.

„Hij gaat het willen doen in een openbare ruimte,” zei ze. „Hij is voorzichtig. Hij zal voorstellen om beneden af te spreken, in het restaurant. Waar mensen zijn. Dat is precies wat wij willen.”

„En als hij iets zegt?”

„Dan hebben we het.” Ze tilde het konijn uit het tasje. Kneep in zijn buik. „Mijn technische recherche zit morgenochtend om zeven uur bij je. Dit beest krijgt een nieuw hart. Hij heeft het je zelf gegeven, Megan. Als hij één ding niet gaat controleren, is het zijn eigen cadeau.”

Ik stuurde het bericht om 21.40 uur. Ik deed er vier keer over om het te typen. Elke keer klonk het te boos of te zacht.

Christian. Het spijt me van gisteren. Ik ben bang en moe en ik weet niet meer wie ik moet vertrouwen. Ik wil Eli terug. Als jij dat kunt regelen, teken ik wat je wilt.

Om 21.43 uur kwam het antwoord.

Meisje toch. Natuurlijk. Morgen om elf uur beneden in het restaurant. Ik neem alles mee. Je hoeft je nergens zorgen over te maken.

Ik had dat bericht kunnen dromen. Elk woord. Ik kende hem twintig jaar.

Ik sliep die nacht drie uur. Fenna werd om één uur wakker, om vier uur en om zes uur. Elke keer als ik haar voedde, keek ze me aan met die donkere, boze ogen, alsof ze wilde zeggen: weet je wel zeker wat je doet?

„Nee,” zei ik tegen haar. „Maar ik doe het toch.”

Om zeven uur kwamen er twee mannen in spijkerbroek met een gereedschapskist. Ze hadden het konijn in twaalf minuten open en weer dicht. Je zag niks. Ik voelde aan zijn buik en voelde alleen vulling.

„Het bereik is vijftien meter,” zei een van hen. „Zet hem gewoon op tafel. Of op schoot. Wij zitten in de bus op de parkeerplaats.”

Om tien voor elf reed een verpleegkundige me in een rolstoel naar beneden. Fenna lag in een draagdoek tegen mijn borst. Het konijn lag op mijn schoot, naast mijn telefoon.

Het restaurant van het UMC rook naar soep en patat. Er zaten families met ballonnen. Een oude man met een rollator. Twee coassistenten met een broodje kroket. Aan een tafel bij de pilaar zat een vrouw met een krant die ze niet las. Ik herkende haar schoenen. Mr. Dekker.

Om 11.02 uur gingen de schuifdeuren open.

Christian kwam binnen. Grijze jas, sjaal, leren map. Hij zag me, glimlachte en stak zijn hand op.

Maar hij was niet alleen.

Achter hem, een halve stap, liep een lange man met grijs haar en een donkerblauw colbert. Hij had een bril met een dun gouden montuur en hij keek niet naar mij. Hij keek naar Fenna.

Christian trok een stoel voor hem bij.

„Megan,” zei hij hartelijk. „Ik wil je even voorstellen. Dit is dokter Reuchlin. Hij had dinsdag naast je moeten staan.”