Deel 9: Rechtbank Lelystad, zaal 4, en een telefoon die om 10.07 uur trilt
Achtendertig uur na mijn keizersnede zat ik in een rolstoel in een rechtszaal in Lelystad, met een kolfapparaat in een Kruidvat-tas op mijn schoot.
Sanne de Jong had me zelf gebracht. Ze had dienst geruild en me om zeven uur 's ochtends in haar eigen auto geholpen, een oude Volvo die naar hond rook. Fenna was op de afdeling gebleven, bij een verpleegkundige die me had beloofd haar elk uur een foto te sturen.
„Als je gaat bloeden, zeg je het,” zei Sanne op de parkeerplaats. „Geen heldendom.”
„Ik zeg het.”
„Ik meen het, Megan.”
„Ik ook.”
Zaal 4 was kleiner dan ik had gedacht. Geen hoge bank met houten krullen, zoals op tv. Een lange tafel, een rechter in een zwarte toga met een leesbril op haar voorhoofd, een griffier achter een laptop. Aan de ene kant Esther Visser met haar map. Aan de andere kant Van Heemstra.
En naast hem Eleanor.
Ze droeg grijs. Geen parels. Haar handen lagen gevouwen op tafel, zoals een vrouw die in de kerk zit. Ze keek niet naar me. Ze keek alleen naar de rechter.
Ik had nog nooit iemand zo goed zien doen alsof ze verdriet had.
De rechter heette mevrouw Timmermans. Dat stond op een kaartje voor haar. Ze opende de zitting om 09.31 uur en vroeg Van Heemstra om te beginnen.
Hij was goed. Dat moet ik eerlijk zeggen. Hij sprak rustig, zonder papier. Hij noemde Eleanor „een grootmoeder die al negen jaar betrokken is bij het leven van dit kind”. Hij noemde mij „een stiefmoeder in een acute crisissituatie”. Hij zei het woord „kraamtijd” zo vaak dat het klonk als een ziekte.
„Mevrouw Van der Meer is twee dagen geleden bevallen via een spoedoperatie. Ze kan niet zelfstandig lopen. Ze woont in een huis dat eigendom is van de vader, die in voorarrest zit en met wie ze, naar verluidt, in scheiding ligt. Ze heeft geen gezag. Ze heeft geen biologische band. Met alle respect voor haar gevoelens, edelachtbare, maar gevoelens zijn geen grond voor plaatsing.”
De rechter keek naar mij. „Mevrouw Van der Meer. Wilt u daar iets op zeggen?”
Ik had de hele nacht nagedacht over wat ik zou zeggen. Ik had zinnen opgeschreven op de achterkant van het menu van de ziekenhuiskeuken. Ik keek ernaar en ze leken allemaal fout.
„Ik smeer al vier jaar zijn boterhammen,” zei ik. „Pindakaas. Zonder korstjes. Hij is allergisch voor pleisters met een rode rand, dus ik koop de witte. Hij kan niet slapen als de deur helemaal dicht is. Hij is bang voor de bijkeuken.”
Ik keek naar Eleanor.
„Omdat iemand hem daar opsluit als hij huilt.”
Van Heemstra stond half op. „Edelachtbare, dit is—”
„Gaat u zitten, meneer Van Heemstra,” zei de rechter zonder op te kijken. „Ga door, mevrouw.”
„En ik denk dat ik zijn tante ben,” zei ik. „Ik heb een brief van mijn zus. En een geboortebandje. En er loopt een DNA-onderzoek. De uitslag komt vanochtend.”
Het werd stil. De griffier stopte met typen.
Eleanor bewoog voor het eerst. Ze draaide haar hoofd heel langzaam naar mij. Ze zei niks. Maar haar mond werd een streep.
„Vanochtend,” herhaalde de rechter. „Hoe laat?”
„Rond tien uur.”
Ze keek op de klok boven de deur. 09.52 uur.
Esther Visser stond op. „Mag ik, edelachtbare?”
„Gaat uw gang.”
„De Raad adviseert om het kind niet bij de grootmoeder te plaatsen. Niet tijdelijk en niet anderszins. Ik heb het kind gesproken. Ik heb de pleegouders gesproken. Ik heb zijn juf gesproken. Ik heb een geluidsopname gehoord die ik aan de rechtbank wil overleggen. En ik heb vastgesteld dat de spoedbeschikking van eergisteren is aangevraagd op basis van een verklaring van een notaris die zelf in dit dossier verschijnt als betrokkene.”
Van Heemstra was gaan zitten. Hij schreef iets op. Hij schreef hard.
Om 10.04 uur zei de rechter dat ze het verzoek van mevrouw De Wit afwees. Eli bleef voorlopig in het pleeggezin. Over twee weken zou er een nieuwe zitting komen. En ze voegde eraan toe, terwijl ze haar leesbril afzette: „Mevrouw Van der Meer krijgt een omgangsregeling. Met ingang van vandaag.”
Om 10.07 uur trilde mijn telefoon.
Mr. Dekker. Een bericht van één regel.
Bas: 99,99 procent vader. Jij: tante. Bevestigd.
Ik las het en gaf de telefoon aan Esther, omdat ik het niet hardop kon zeggen. Zij las het voor aan de rechter. De rechter knikte en zei: „Dat wordt toegevoegd aan het dossier.”
Eleanor stond op. Ze pakte haar tas. Bij de deur bleef ze staan, naast mijn rolstoel. Ze boog zich niet naar me toe. Ze zei het gewoon, op normale toon, alsof ze het over het weer had.
„Je hebt geen idee in wat voor huis je bent getrouwd, Megan.”
Toen liep ze weg. Van Heemstra liep haar niet achterna.
Om half twaalf mocht ik Eli zien.
In een kamertje achter de rechtszaal, met een bank, een bak lego en een raam dat uitkeek op een parkeerplaats. De pleegmoeder had hem gebracht. Een grote vrouw met een paardenstaart en een Feyenoord-sleutelhanger aan haar autosleutels. Ze bleef bij de deur staan.
Eli kwam niet meteen naar me toe. Hij keek naar de rolstoel.
„Ben je ziek?”
„Nee. Ik ben geopereerd. Mijn buik moet een beetje genezen.”
„Is de baby er?”
Ik liet hem de foto zien die de verpleegkundige om tien uur had gestuurd. Fenna met een te groot mutsje. Een slaapfrons.
Hij keek een hele tijd. Toen zei hij: „Ze is boos.”
„Ze is altijd boos. Ze lijkt op mij.”
Hij lachte. Kort, verrast, alsof het hem overviel. Toen kwam hij naar me toe en legde voorzichtig zijn hoofd op mijn knie, naast de Kruidvat-tas. Niet op mijn buik. Hij was negen en hij wist al waar het pijn deed.
„Heb je de tekening gezien?”
„Ja.”
„Die vierde. Dat was ik niet zeker.”
„Dat was goed,” zei ik. „Dat was precies goed.”
Op de terugweg zat ik voorin bij Sanne. Ze zette de radio aan en weer uit. Bij de afslag Almere ging mijn telefoon.
Een nummer dat ik niet kende. Een vast nummer. 070.
„Met Megan.”
„U spreekt met de Penitentiaire Inrichting Haaglanden, locatie Scheveningen. Ik heb hier een gedetineerde die u wil spreken. Hij heeft toestemming van de officier. U mag weigeren.”
Ik keek naar Sanne. Ze haalde haar schouders op. Jouw keuze.
„Verbind hem maar door.”
Gekraak. Een deur. Daarna ademen, zwaar, dichtbij de hoorn.
„Meg.”
Drew. Zijn stem klonk alsof hij in een week tien jaar ouder was geworden.
„Ik heb vijf minuten,” zei hij. „Luister alsjeblieft. Je moet niet achter mijn moeder aan gaan. Zij is het niet.”
„Ze heeft het op tape gezegd, Drew. Na die ingreep is dat geld van ons.”
„Dat zei ze omdat hij het tegen haar had gezegd. Ze herhaalt alles wat hij zegt. Al vijfendertig jaar. Meg, mijn moeder heeft hier niks van bedacht.”
„Wie dan?”
Ik hoorde hem slikken.
„Christian is mijn vader.”