Deel 8: Een crisispleeggezin in Almere en een garage aan de Hemkade
Het rode lampje van de dictafoon brandde nog.
Eli had hem niet uitgezet. Misschien wist hij niet hoe. Misschien had hij geen tijd gehad. Hij lag in het zijvak tussen een opgevouwen tekening en een rol pepermunt, dezelfde rol die Esther Visser me die ochtend had aangeboden.
Ik drukte op stop. Toen op terugspoelen. Mijn vingers waren dik en traag van het infuus.
Eerst hoorde ik alleen gekraak. Voetstappen. Een liftdeur. Daarna een stem, dichtbij, alsof de dictafoon op een stoel lag en de spreker er vlak naast stond.
Christian.
„Ze ligt op de OK. Nee. Hier. Het UMC. Ruggenprik, hoorde ik. Ze is wakker.”
Stilte. Hij luisterde naar iemand.
„Dan is het zo. Dan doen we het anders. Plan B. De jongen. Zolang wij de jongen hebben, tekent ze alles. Elke volmacht, elk bestuursbesluit. Ze is gek op dat kind.”
Weer stilte.
„Van Heemstra regelt de spoedbeschikking. Vanavond nog. Er zit een agent naast hem, maar die doet niks als de papieren kloppen. En ze kloppen.”
Een lachje. Kort.
„Reuchlin? Die houdt zijn mond. Die heeft meer te verliezen dan wij.”
Daarna weer voetstappen, die wegliepen. En heel dichtbij, zacht, ademen. Een kind dat zijn adem inhoudt en het niet volhoudt.
Eli had naast hem gezeten. Op die stoel op de gang. Met de tas op schoot en zijn vinger op het knopje.
Ik legde de dictafoon op mijn borst en keek naar het plafond. Naast me sliep Fenna in haar bakje, met haar vuistjes naast haar oren.
De tekening uit het zijvak vouwde ik pas later open. Een huis. Een raam met gordijnen. Vier poppetjes ervoor. Een grote met lang haar, een kleine in een kinderwagen, een middelgrote met een tas met een kruis erop. En een vierde, een beetje apart, met krullen en een ijsje.
Boven die vierde had hij geschreven: tante Iris.
Esther Visser kwam de volgende ochtend om acht uur. Ze had haar jas nog aan en ze was boos. Dat zag ik voordat ze iets zei.
„Ik wist het niet,” zei ze. „Ik zweer het je. Het was een collega van de spoeddienst. Er kwam gisteravond om zes uur een verzoek binnen van Van Heemstra, met een verklaring van een notaris dat het kind in direct gevaar was. De rechter-commissaris heeft getekend. Om zeven uur stond mijn collega hier.”
„Een verklaring van welke notaris?”
Ze keek me aan. „Dat mag ik eigenlijk niet zeggen.”
„Esther.”
Ze zuchtte. „Van Dongen.”
Ik liet haar de opname horen. Ze luisterde met haar ogen dicht. Toen het afgelopen was, deed ze ze niet meteen open.
„Waar is hij?” vroeg ik. „Is hij bij Eleanor?”
„Nee. God, nee. Hij zit in een crisispleeggezin. In Almere. Een stel dat dit al vijftien jaar doet, ze hebben drie kinderen van zichzelf en een hond. Het adres is geheim. Ook voor Eleanor. Ook voor Van Dongen.”
„Hoe weet je dat zeker?”
„Omdat ik het zelf heb geregeld. Vannacht om twee uur. Toen ik hoorde wat er gebeurd was, heb ik hem laten verplaatsen. Het eerste adres stond in het systeem van de spoeddienst. Dit adres staat alleen in mijn telefoon.”
Ik geloofde haar. Ik weet niet waarom. Misschien om de pepermunt.
„Heeft hij geslapen?”
„Hij heeft gevraagd of de baby er al was. De pleegmoeder heeft het voor hem nagevraagd.” Ze glimlachte een klein beetje. „Hij wilde weten hoe ze heette. Toen ze zei Fenna, heeft hij gezegd: dat is een goede naam, die vond tante Iris mooi. Ze vroeg hoe hij dat wist. Hij zei dat het in een brief stond.”
Er stond niks over Fenna in Iris' brief. Ik had het hem verteld, ooit, toen hij zes was en vroeg waarom ik mijn oude knuffelbeer Fenna noemde. Dat hij dat had onthouden.
„De zitting,” zei Esther. „Morgen half tien, rechtbank in Lelystad. Van Heemstra gaat zeggen dat jij geen band hebt met het kind. Dat je een stiefmoeder bent die op het punt staat te scheiden van de vader. Dat je net bevallen bent, niet kunt lopen en geen huis hebt waar de vader niet ook woont. Hij heeft gelijk, Megan. Op papier heeft hij gelijk.”
„Dan moet het op papier anders.”
„Hoe?”
Ik pakte het boterhamzakje met Iris' brief. „Ik moet bewijzen dat hij van mijn zus is.”
Om tien uur belde ik de garage.
Ik had het nummer gevonden via Google. Autobedrijf Mulder, Hemkade, Zaandam. APK, onderhoud, alle merken. Een website met één foto erop van een witte loods en een rolluik.
De telefoon ging zes keer over. Toen een mannenstem, hees, met lawaai op de achtergrond. Een compressor. Een radio.
„Mulder.”
„Spreek ik met Bas Mulder?”
„Ja. Wat is er met uw auto?”
„Niks met mijn auto.” Ik hield de brief vast. Het papier kraakte. „Mijn naam is Megan van der Meer. Ik ben het zusje van Iris.”
Het lawaai op de achtergrond ging door. Maar hij zei niks. Ik hoorde hem ademen.
„Hallo?”
„Ik ben er,” zei hij. Zijn stem was anders. „Wat wil je.”
„Ik heb een brief van haar. Die ze geschreven heeft de nacht voordat ze stierf. Er staat jouw naam in. En ze vraagt me iets tegen je te zeggen.”
„Wat?”
„Dat ze niet is weggelopen.”
Het werd stil aan de andere kant. Echt stil. Iemand had de compressor uitgezet. Of hij was naar buiten gelopen.
„Ze hebben me niet binnengelaten,” zei hij. „Bij de crematie. Jullie opa had een man bij de deur gezet. Ik heb in de auto gezeten op de parkeerplaats. Ik heb jou gezien, geloof ik. Met een rode jas.”
Ik had die dag een rode jas aangehad. Het was de enige warme die ik had.
„Bas. Ik moet je nog iets vertellen. Maar niet door de telefoon. Kun je naar het UMC in Utrecht komen? Vandaag?”
„Waarom?”
Ik keek naar de tekening op het nachtkastje. Vier poppetjes.
„Omdat je zoon niet dood is.”
Hij kwam om half vier. In zijn overall, met zwarte randen onder zijn nagels die geen enkele zeep eruit krijgt. Een grote man. Grijs bij zijn slapen. Hij bleef in de deuropening staan zoals iedereen die week in mijn deuropening bleef staan, maar bij hem was het anders. Hij durfde gewoon niet verder.
Hij las de brief staand. Hij las hem twee keer. Bij de pony lachte hij ook.
Toen ging hij op de stoel zitten, met de brief op zijn knie, en zei een hele tijd niks.
„Ik heb elk jaar een kaarsje aangestoken,” zei hij toen. „Op 14 maart. Voor twee.”
Mr. Dekker had een man van het NFI geregeld. Hij kwam om vijf uur met een koffertje en twee wattenstaafjes. Eén voor Bas. Eén voor mij.
„En de jongen?” vroeg ik.
„Bij hem nemen ze het in Almere af. Vanavond. De pleegmoeder blijft erbij.”
„Wanneer is de uitslag er?”
De man van het NFI keek op zijn horloge. „Met spoed? Morgenochtend. Op zijn vroegst tien uur.”
De zitting was om half tien.