DE BLAUWE VLUCHTTAS

Deel 7: Om 18.14 uur brak mijn water, en hij stond al in de deuropening

Christian van Dongen had een leren map onder zijn arm en een tasje van de Hema in zijn hand, met een knuffelkonijn erin.

„Voor de kleine,” zei hij. „Ik kon het niet laten.”

Hij stond in de deuropening, precies op de drempel. Grijze jas, sjaal, zijn leesbril in zijn borstzak. Hij zag eruit zoals altijd. Als een opa. Als iemand bij wie je je fiets mag stallen.

Mr. Dekker stond op. Ze ging niet voor me staan. Ze ging naast het bed staan, met haar handen in haar zakken, alsof ze toevallig even op bezoek was.

„Meneer Van Dongen.”

„Mevrouw Dekker. Wat een verrassing.” Hij glimlachte naar haar. „Ik heb maar vijf minuutjes nodig met mijn cliënt. Onder vier ogen, als dat kan.”

„Dat kan niet,” zei ik.

Hij keek me aan. Heel even zag ik iets in zijn gezicht schuiven. Daarna was het weg.

„Megan. Ik begrijp dat je overstuur bent. Maar deze volmacht is belangrijk. Als er tijdens de bevalling iets gebeurt—”

„Wat zou er moeten gebeuren, Christian?”

„Niks, hoop ik. Maar je bloeddruk is hoog, dat heb ik van de verpleging gehoord. En je dossier ligt nog in Duinzicht. Daar kennen ze je. Eerlijk gezegd zou ik je willen aanraden om je daarheen te laten overbrengen. Dokter Reuchlin is de beste anesthesioloog van—”

Toen voelde ik het.

Een plop. Diep van binnen. Alsof er een waterballon knapte die je niet kon zien. Daarna werd het warm tussen mijn benen, en nat, en het bleef maar komen.

Ik keek naar beneden. Het laken werd donker.

„Megan?” zei Eli.

Ik zei niks. Ik kon niks zeggen. Ik keek naar de klok boven de deur. 18.14 uur.

Mr. Dekker drukte op de bel boven mijn bed. Twee keer. Daarna liep ze naar de deur en ging met haar volle lengte voor Christian staan.

„U gaat nu weg.”

„Ik ben haar notaris.”

„U bent vanaf nu een man die op de gang staat. Daarna een man die in de lift staat. Wilt u dat ik de marechaussee vraag u te helpen?”

Hij keek langs haar heen naar mij. Hij hield nog steeds het Hema-tasje vast.

„Ik leg het konijn hier neer,” zei hij. „Voor het meisje.”

Hij zette het tasje op de grond. Precies zoals Eleanor die middag haar lelies had neergezet.

Toen draaide hij zich om en liep weg. Niet snel. Hij had nooit ergens haast.

De kamer liep vol. Een verpleegkundige, nog een, een verloskundige met haar haar in een knot. Iemand plakte twee banden om mijn buik. Het CTG-apparaat begon te tikken. Een snel, galopperend geluid. Daarna ging het langzamer.

Veel langzamer.

„Hartslag kindje zakt,” zei de verloskundige. Niet tegen mij. Tegen iemand achter me.

„Hoeveel?”

„Tachtig. Vijfenzeventig.”

„Bel de gynaecoloog. Nu.”

Alles ging toen heel snel en heel traag tegelijk. Iemand haalde de remmen van mijn bed. Iemand trok de infuuspaal mee. Ik zag het plafond voorbijschuiven. Tl-buizen. Eén ervan knipperde.

„Eli,” zei ik. „Waar is Eli?”

„Hij is hier, mevrouw. Hij blijft bij de agent.”

Ik draaide mijn hoofd. Eli stond tegen de muur van de gang, naast een van de marechaussees. Hij had de blauwe tas tegen zijn borst. Hij huilde niet. Hij keek alleen.

„Ik kom terug,” riep ik. „Hoor je me? Ik kom terug!”

Hij knikte.

Op de OK was het koud. Echt koud. Ik begon te klappertanden en kon niet meer stoppen. Een vrouw boog zich over me heen met een mondkapje en een muts met kleine walvissen erop.

„Megan. Weet je nog wie ik ben?”

Ik kende die ogen. Gisteren, op de overloop van ons huis, met al dat geschreeuw. Ze had naast me op de trap gezeten en mijn pols vastgehouden.

„Dokter De Jong.”

„Sanne. Ik ben anesthesioloog. Ik heb vandaag dienst. Ik ben gebleven toen ik hoorde dat jij hier lag.” Ze legde haar hand op mijn schouder. „Het kindje moet er snel uit. We gaan een keizersnede doen.”

„Geen narcose.”

„Megan—”

„Geen narcose. Alsjeblieft. Ik wil niet slapen. Ik wil niet—”

Ik kon de zin niet afmaken. Ze begreep het. Ik zag het aan haar ogen boven het mondkapje.

„Ik ga je een ruggenprik geven,” zei ze. „Dan ben je wakker. Je voelt dat er aan je getrokken wordt, maar geen pijn. Ik blijf de hele tijd bij je hoofd staan. Ik ga nergens heen. Als je iets wilt weten, vraag je het aan mij. Goed?”

„Beloof je het?”

„Ik beloof het.”

Ik moest op mijn zij, met mijn rug bol, als een kat. Iemand hield mijn handen vast. Ik voelde een prik, koud, en daarna niets meer onder mijn navel. Alsof de helft van mij was uitgezet.

Ze hingen een groen doek op voor mijn gezicht. Sanne stond bij mijn hoofd en praatte de hele tijd. Over niks. Over haar dochter die op hockey zat. Over de kantine van het UMC waar de kroketten 's avonds altijd op waren.

Ik voelde trekken. Duwen. Alsof iemand in een volle la rommelde.

„Nog even,” zei Sanne. „Nog heel even.”

Toen werd het stil.

Een seconde. Twee. Ik hoorde alleen de apparaten.

Toen een geluid. Dun. Boos. Als een katje dat je op zijn staart trapt.

En daarna gehuil. Hard. Woedend. Zo hard dat de verloskundige lachte.

„Nou, die heeft longen.”

Ze hielden haar boven het doek. Grijs en rood en glibberig, met een plukje donker haar dat plat op haar hoofd zat. Haar vuistje was gebald.

„Een meisje,” zei Sanne zacht naast mijn oor. „Om 18.51 uur.”

Ze legden haar op mijn borst. Warm. Nat. Ze rook naar iets wat ik niet kan uitleggen. Ik heb het nergens anders ooit geroken.

„Hoe heet ze?” vroeg Sanne.

Drew en ik hadden een lijst gehad. Op de koelkast, naast die kalender. Sophie. Charlotte. Namen die Eleanor goed vond.

„Fenna,” zei ik.

Die naam had niet op de lijst gestaan. Het was de naam die Iris vroeger aan al haar poppen gaf. Elke pop heette Fenna. Ook de beer. Ook de hond van de buren, toen ze hem een middag mocht uitlaten.

„Fenna,” herhaalde Sanne. „Mooi.”

Ik huilde niet. Dat kwam later. Ik lag daar alleen, met dat kleine boze gezichtje tegen mijn hals, en ik dacht: niemand heeft mij in slaap gebracht. Niemand. Ik ben er nog.

Het duurde een uur voor ze me terugreden naar de kraamsuite. Fenna lag in een doorzichtig bakje naast mijn bed. Een verpleegkundige had een mutsje op haar gezet, wit met een gele rand.

„Mag Eli nu komen?” vroeg ik. „Hij zat bij de agent. In de familiekamer.”

De verpleegkundige keek naar de marechaussee die in de deuropening stond. De marechaussee keek naar zijn schoenen.

„Wat is er?”

„Mevrouw,” zei hij. „Er is een half uur geleden een mevrouw van de Raad voor de Kinderbescherming geweest. Met een beschikking van de kinderrechter. Een spoedmaatregel. Ik mocht niks doen. Het was allemaal in orde, ik heb de stempels gecontroleerd.”

„Welke mevrouw? Esther? Esther Visser?”

„Dat weet ik niet. Ze heeft de jongen meegenomen.”

Hij bukte zich en tilde iets op van de stoel in de gang. Hij liep naar binnen en zette het naast mijn bed neer.

De blauwe tas.

Het witte kruis. De rafels aan de bodem.

Eli liet die tas nooit los. Niet in zijn bed. Niet in de ambulance. Niet op de OK-gang.

„Hij wilde dat u hem kreeg,” zei de marechaussee. „Hij zei: zeg dat ze in het zijvak moet kijken.”

Ik trok de rits van het zijvak open.