Deel 6: Artikel 11, lid 3, toegevoegd in 2015
Om tien voor zes die avond zat er een hoofdofficier van justitie op de rand van mijn ziekenhuisbed, en vertrouwde ik de beste vriend van mijn opa niet meer.
Zo ver was het in vier uur gekomen.
Het begon met de envelop.
Ik had hem niet aan de recherche gegeven. Ik had hem aangepakt, bedankt, en de deur dichtgedaan. Eli stond naast me, op zijn tenen, om mee te kijken.
Er zaten zes vellen in. Een kopie van de statuten van de Stichting Familiefonds Van der Meer. Opa's stichting. Het ding waar ik in mijn hele leven nooit één bladzijde van had gelezen, omdat Christian altijd zei: „Daar hoef jij je hoofd niet over te breken, meisje. Daar ben ik voor.”
Op pagina vier had iemand met een gele markeerstift een stuk aangestreept.
Artikel 11, lid 3. Overlijdt een begunstigde vóór of tijdens de geboorte van haar eerste kind, dan vervalt haar aanspraak aan haar echtgenoot. Is er geen echtgenoot, dan vervalt deze aan het vermogen van de stichting, onder beheer van het bestuur.
Eronder: Gewijzigd bij akte van 9 juni 2015.
En onder de wijziging twee handtekeningen. Opa's beverige R. Daarnaast een strakke, schuine handtekening die ik kende van elke verjaardagskaart die ik sinds mijn achttiende had gekregen.
Mr. C.J. van Dongen, notaris, tevens bestuurder.
Ik las het hardop. Eli begreep er niks van. Ik eerst ook niet.
Toen pakte ik pen en papier uit het laatje van het nachtkastje en schreef het voor mezelf uit, zoals ik dat op school doe met de kinderen die vastlopen bij een verhaalsom.
- Christian verandert de regel.
- Iris sterft tijdens haar bevalling. Ze is niet getrouwd met Bas.
Dus: geen echtgenoot.
Dus: haar deel gaat naar de stichting. Onder beheer van het bestuur.
En het bestuur was Christian.
Maar er was nog iets. Ik keek naar het boterhamzakje dat ik uit mijn kussensloop had gehaald. Naar het bandje. 3120 gr.
Als Iris' zoon had geleefd, was hij haar erfgenaam geweest. Dan was het geld naar hem gegaan. Niet naar de stichting.
Dus moest hij dood zijn.
Op papier.
Ik zette een streep onder het woord. Zo hard dat de pen door het papier ging.
„Mama Megan, je doet het laken kapot.”
„Sorry, lieverd.”
Op de laatste pagina van de envelop zat een bankafschrift, ook gekopieerd. Stichting Familiefonds Van der Meer — uitkering aan bestuurder — adviesvergoeding. Bedragen in de tonnen. Elk kwartaal. Vanaf april 2017.
De maand na Iris' dood.
Ik belde niet naar Christian. Ik belde het nummer dat de hoofdofficier me de avond ervoor op een visitekaartje had gegeven, toen ik in de ambulance lag. Het kaartje zat nog in mijn jaszak. Ze nam op na twee keer overgaan.
„Dekker.”
„U spreekt met Megan van der Meer. Ik heb iets gekregen van Eleanor de Wit. En ik denk dat u moet komen.”
Ze kwam om half zes. Mr. Annemijn Dekker. Ze zag er heel anders uit dan gisteren in de gang van ons huis, met een kogelwerend vest over haar blouse. Nu droeg ze een spijkerbroek en had ze een rugzak bij zich met een thermoskan koffie die ze zelf had gezet.
„Die automaat hier is niet te drinken,” zei ze. „Wil je ook?”
„Ik mag geen koffie.”
„O ja. Sorry. Kinderen?”
„Eén. Bijna twee.” Ik keek naar Eli. „Misschien al twee.”
Ze las alles. Ze las langzaam, met een balpen in haar mond, en ze zei een hele tijd niks. Eli zat op het uitklapbed met een kleurboek dat een verpleegkundige hem had gebracht. Hij kleurde niet. Hij keek naar haar.
„Deze clausule,” zei ze ten slotte, „is op zichzelf niet strafbaar. Een notaris mag statuten wijzigen als de oprichter tekent. Een bestuurder mag een vergoeding krijgen. Het stinkt, maar het is niet verboden.”
„Hij heeft dat geld genomen na de dood van mijn zus.”
„Ja. En als haar zoon toen leefde, en dat wist hij, dan is dat verduistering. En dan wordt de vraag hoe hij dat wist.” Ze tikte met haar pen op het vel. „Die adoptieakte. Die je gisteren van hem kreeg. Heb je die nog?”
Ik haalde hem uit de map. Ze hield hem tegen het licht van het raam.
„Megan. Weet je hoe adoptie in Nederland gaat?”
„Bij een notaris?”
„Nee. Altijd via de rechtbank. Een rechter spreekt een adoptie uit. Een notaris komt er niet aan te pas. Nooit.” Ze legde het vel plat op de deken. „Dit is geen akte. Dit is een stuk papier dat er officieel uit moet zien. Gemaakt door iemand die wist dat een moeder die net te horen heeft gekregen dat haar man haar wilde vermoorden, niet gaat controleren hoe adoptie werkt.”
„Maar hij gaf het me zelf. Hij zei dat het uit Eleanors kluis kwam.”
„Kijk naar het stempel.”
Ik keek. Rood. Rond. Half uitgelopen. Ik had het gisteren niet gezien, met mijn trillende handen en mijn tranen en de sirenes.
Ik legde Eleanors envelop ernaast. Het stempel op de statuten.
Ze waren precies hetzelfde. Zelfde lettertype. Zelfde kleine beschadiging onderaan de rand, alsof er ooit een stukje van het rubber was afgebroken.
„Waarom zou hij zijn eigen stempel op een nepakte zetten?” vroeg ik. „Dat is toch dom.”
„Niet als het nooit voor de rechter had moeten komen.” Mr. Dekker keek me aan. „Hij gaf je dit om je te laten geloven dat Eleanor de vijand was. Dat Eleanor het kind had gestolen. Zodat jij naar hem zou blijven bellen. En hij precies zou weten wat jij weet.”
Ik dacht aan vanochtend. Heeft de jongen nog iets anders in die tas gestopt?
„En Eleanor?” vroeg ik. „Waarom geeft zij mij dit dan?”
„Omdat ze bang is. Ze weet dat we haar hebben. Op die opname. Als zij valt, wil ze niet alleen vallen.” Mr. Dekker schroefde de dop van haar thermoskan. „Dieven die ruzie krijgen, Megan. Daar leeft mijn hele beroep van.”
Ik moest even lachen. Het klonk raar in de kamer.
Eli legde zijn kleurpotlood neer. „Is meneer Christian ook slecht?”
Mr. Dekker keek naar mij. Ik knikte.
„Dat weten we nog niet zeker,” zei ze tegen hem. „Maar we gaan het uitzoeken. En tot die tijd praten jij en Megan niet meer met hem. Afgesproken?”
„Afgesproken.”
Ik pakte mijn telefoon om zijn nummer te blokkeren. Er stond al een bericht. Twintig minuten oud. Ik had het niet gehoord, omdat het geluid uit stond.
Megan, ik heb papieren voor je die je vandaag nog moet tekenen. Een volmacht, voor het geval er iets misgaat bij de bevalling. Dan regel ik de voogdij over beide kinderen en kan Eleanor niks. Het is voor je eigen bestwil. Ik sta beneden in de hal. Ik kom nu naar boven.
Ik draaide het scherm naar mr. Dekker.
Ze las het. Ze zette haar koffie heel rustig op het nachtkastje.
Op de gang hoorde ik de liftdeur opengaan.