DE BLAUWE VLUCHTTAS

Deel 5: De bloemen van Eleanor op de gang van de zesde verdieping

„Nee,” zei ik. „Er zat verder niks in.”

Het was de eerste keer in mijn leven dat ik tegen Christian van Dongen loog.

„Goed,” zei hij na een tel. „Mocht er toch iets opduiken, bel je mij. Niet de politie, niet die officier. Mij. Dan zorg ik dat het juridisch klopt. Beloof je dat?”

„Ik beloof het.”

Ik hing op en stopte de brief en het bandje terug in het boterhamzakje. Het zakje ging in de kussensloop. Onder mijn hoofd.

Ik wist niet waarom. Christian was mijn notaris, mijn vangnet, de man die opa twintig jaar lang had vertrouwd. Maar hij had gevraagd naar iets wat ik hem niet had verteld. En Iris had geschreven: Christian heeft deze plek voor me geregeld.

Om tien uur kwamen er twee mensen die ik niet kende.

De eerste was een vrouw in een groene trui met een badge van de Raad voor de Kinderbescherming aan een lint om haar nek. Esther Visser. Ze had een map onder haar arm en een rol pepermunt in haar hand, die ze me als eerste aanbood.

„Wilt u er een? Ik heb ze altijd bij me. Ziekenhuislucht, hè.”

Ik nam er een. Ik weet niet waarom dat me bijna aan het huilen maakte.

De tweede was een man in een donkerblauw pak, die bleef staan bij de deur en zijn hand niet uitstak.

„Mr. Diederik van Heemstra. Ik sta mevrouw De Wit bij. En de heer De Wit.”

„U mag hier niet komen,” zei ik.

„Ik mag overal komen waar mijn cliënten belangen hebben, mevrouw. Mijn cliënt zelf niet. Dat respecteren wij uiteraard.”

Eli zat op het uitklapbed met een bakje vla van het ontbijt. Hij at niet meer. Hij keek naar de man in het pak alsof er een hond in de kamer stond die kon bijten.

Esther Visser ging op de stoel naast mijn bed zitten. Ze praatte zacht. „Mevrouw Van der Meer, ik ga eerlijk tegen u zijn, want ik denk dat u dat liever hebt. Er is vanochtend een verzoek binnengekomen bij de kinderrechter. Mevrouw Eleanor de Wit vraagt om tijdelijk het gezag over Eli. Omdat zijn vader vastzit.”

„Ze is net vrijgelaten. Ze wilde mij laten vermoorden.”

„Dat is wat er beweerd wordt,” zei Van Heemstra vanaf de deur.

„Dat staat op een opname!”

„Een opname die een minderjarige zonder toestemming heeft gemaakt, op een zolder, van een gesprek dat hij niet goed kon verstaan. Mevrouw De Wit stelt dat het ging over een verzekering. Een overlijdensrisicoverzekering. Wat een gangbaar onderwerp is in gezinnen waar een bevalling op handen is.”

„Ze zei: na die ingreep is dat geld van ons.”

„Uit de context gehaald.”

Esther Visser stak haar hand op, zonder hem aan te kijken. „Meneer Van Heemstra. Ik praat nu met mevrouw.”

Hij zweeg. Maar hij bleef staan.

„Mevrouw Van der Meer,” zei Esther. „Bent u Eli's moeder volgens de wet?”

„Ik ben zijn stiefmoeder. Ik zorg al vier jaar voor hem. Ik breng hem naar school, ik ga naar de oudergesprekken, ik—”

„Heeft u het gezag? Gezamenlijk, met uw man?”

Ik had het nooit aangevraagd. Drew zei altijd dat het niet nodig was. „Op papier ben jij gewoon zijn moeder, Meg. Wie gaat dat nou checken.”

„Nee,” zei ik.

Esther knikte langzaam. Ze schreef iets op. „Dan bent u voor de rechter op dit moment een betrokken volwassene. Geen ouder. Ik zeg dat niet om u pijn te doen.”

„Hij is het kind van mijn zus.”

Het was eruit voor ik het kon tegenhouden.

Van Heemstra glimlachte. Een kort, dun glimlachje. „Daar heeft u bewijs van?”

Ik dacht aan het boterhamzakje in mijn kussensloop. Aan Christian die zei: niet de politie, niet die officier. Mij.

„Nog niet,” zei ik.

„Dan stel ik voor dat we ons houden aan de feiten. Eli is erkend door de heer De Wit. De heer De Wit zit in voorarrest. De naaste familie is de grootmoeder. Een vrouw met een onberispelijke staat van dienst, een huis met zes slaapkamers en een vaste oppas. U ligt in het ziekenhuis en bevalt binnenkort. Wie zorgt er dan voor de jongen? U?”

Eli zette het bakje vla neer. Heel voorzichtig, op het nachtkastje.

„Ik ga niet naar oma,” zei hij.

Het was de eerste keer dat hij iets zei. Iedereen keek naar hem.

„Ik ga niet naar oma,” zei hij nog een keer, harder. „Oma zet je in de bijkeuken als je huilt. Met het licht uit.”

Esther Visser schreef niets op. Ze keek hem alleen aan. Daarna keek ze naar Van Heemstra.

„Dat neem ik mee in mijn rapport,” zei ze.

Van Heemstra trok zijn manchet recht. „Een kind van negen dat onder invloed staat van zijn stiefmoeder zegt wel meer. De zitting is overmorgen om half tien. Ik zie u daar. Of uw advocaat. Ik neem aan dat meneer Van Dongen u bijstaat?”

Hij zei de naam heel nadrukkelijk. Alsof hij een grap kende die ik niet kende.

Toen ze weg waren, kroop Eli bij me in bed. Hij paste er net naast, tussen de reling en mijn buik.

„Moet ik naar oma?”

„Niet als ik het kan tegenhouden.”

„Maar kun je het tegenhouden?”

Ik gaf geen antwoord. Ik wist het niet. En ik had hem net beloofd niet meer te liegen.

Om twee uur 's middags hoorde ik stemmen op de gang.

Hard. Een vrouwenstem die ik overal ter wereld zou herkennen. Hoog, beschaafd, elke klinker precies op zijn plek.

„Ik breng alleen bloemen voor mijn schoondochter. Dat is toch zeker niet verboden?”

„Mevrouw, u mag niet verder. U heeft een contactverbod.”

„Ik maak geen contact. Ik zet ze op de grond. Kijk. Ik zet ze hier neer.”

Ik schoof mijn benen uit bed. Het duizelde. Eli greep mijn pols.

„Niet gaan.”

„Ik blijf in de deuropening. Ik ga niet naar haar toe. Beloofd.”

Ik deed de deur een stukje verder open.

Ze stond aan het eind van de gang, bij de lift. Eleanor de Wit. Kamelkleurige jas, parels, haar haar in dezelfde strakke knot als op ons trouwfeest, toen ze me in het voorbijgaan had gezegd dat mijn jurk „heel moedig” was. Tussen haar en mij stonden twee marechaussees met hun armen gespreid.

Aan haar voeten lag een boeket witte lelies. Groot. Duur. Het soort bloemen dat je op een uitvaart ziet.

Ze zag me.

Ze glimlachte.

„Megan, lieverd. Wat zie je bleek.”

„Ga weg, Eleanor.”

„Ik ga al. Ik wilde je alleen iets geven. Omdat ik vind dat je het verdient om te weten met wie je in zee bent gegaan.”

Ze opende haar tas. De marechaussees verstijfden. Maar ze haalde alleen een witte envelop tevoorschijn en liet hem bovenop de lelies vallen.

„Vraag Christian maar eens wie die clausule over de echtgenoot heeft geschreven,” zei ze. „En in welk jaar.”

Toen draaide ze zich om en stapte in de lift.

De marechaussee raapte de envelop op met twee vingers, alsof er iets in kon ontploffen. Hij kwam naar me toe en hield hem omhoog.

„Wilt u deze, mevrouw? Of moet hij naar de recherche?”

Door het papier heen zag ik de omtrek van een stempel. Rood. Rond.

Het stempel van notariskantoor Van Dongen.