DE BLAUWE VLUCHTTAS

Deel 4: Een brief in de voering, geschreven op 13 maart

Er zat een naad in de bodem van de tas die niet van de fabriek was.

Grove steken. Zwart garen. Iemand had het ooit met de hand dichtgenaaid en Eli had het met een schaartje van school weer opengeknipt. Ik voelde de rafels onder mijn vingertoppen.

„Daar,” zei hij. „Onder het karton.”

Ik schoof het stijve bodemplaatje omhoog. Eronder lag een plastic boterhamzakje met een rits. Daarin een opgevouwen vel papier, vergeeld aan de randen. En een smal wit bandje van plastic, zo klein dat het om twee van mijn vingers paste.

Op het bandje stond, in blauwe stift:

Van der Meer — jongen — 14/3 — 3120 gr.

En daaronder, in een ander handschrift, kleiner:

Eli.

Ik legde het bandje op de deken. Eli keek ernaar en raakte het niet aan.

„Dat is van mij, hè,” zei hij.

„Ja,” zei ik. „Dat denk ik wel.”

„Ik heb het niet gestolen. Het zat er gewoon.”

„Dat weet ik, lieverd. Jij hebt niks gestolen.”

Ik vouwde de brief open. Het was Iris' handschrift. Ik had het in jaren niet gezien, maar ik herkende het in één tel. De rondjes boven de i, de lus van de g die altijd te lang was. Ze schreef zoals ze praatte. Snel. Een beetje scheef.

Megje,

Niemand anders noemde me zo.

Als je dit leest, ben ik er waarschijnlijk niet meer en heb je mijn tas. Ik hoop dat je hem hebt. Ik heb hem vannacht dichtgenaaid met het naaisetje uit het hotel van onze vakantie in Texel, weet je nog, dat ding dat je per se wilde meenemen.

Het is 13 maart. Half twee 's nachts. Ik lig in Kliniek Duinzicht en ik ben bang, en ik weet niet goed waarom.

Christian heeft deze plek voor me geregeld. Hij zegt dat opa het betaalt en dat het hier veiliger is dan in een gewoon ziekenhuis. Maar vanavond hoorde ik de narcosearts op de gang bellen. Een lange man, grijs haar, heet Reuchlin. Hij zei: "Zeg maar tegen mevrouw De Wit dat het morgen geregeld wordt. Ja. Allebei als het moet." Ik ken geen mevrouw De Wit, Megje. Ik heb het aan de verpleging gevraagd en ze zeiden dat ik me dingen in mijn hoofd haal door de hormonen.

Misschien is dat zo. Ik hoop het.

Als het kindje er is, heet hij Eli. Bas en ik hebben dat samen bedacht. Bas weet nog niet dat de weeën zijn begonnen, ik heb geen bereik op deze kamer en ze willen me geen telefoon geven. Opa wil niet dat ik met Bas omga, je weet hoe hij is over iemand die met zijn handen werkt. Maar Bas is goed. Hij heeft een garage aan de Hemkade in Zaandam. Zeg tegen hem dat ik niet ben weggelopen.

En Megje. Als er iets met me gebeurt: laat niemand mijn zoon meenemen. Niemand. Ook niet als ze papieren hebben.

Ik hou van je. Ga je haar laten groeien, die pony staat je echt niet.

Iris

Ik las het één keer. Toen nog een keer, omdat ik bij de pony moest lachen en daarna niet meer kon lezen.

Eli zat stil naast me. Hij had zijn hand op mijn arm gelegd. Heel licht, alsof hij niet zeker wist of het mocht.

„Mevrouw De Wit is oma,” zei hij.

„Ja.”

„Dus oma kende jouw zus.”

„Ik denk het.”

„En die dokter. Die is dezelfde als dinsdag.”

Ik keek hem aan. „Hoe weet jij dat?”

„Papa had een briefje in zijn aktetas. Met namen. Ik heb het ook in de tas gestopt. Ik kon niet lezen wat het was, maar die naam stond er twee keer op. Met een streep eronder.”

Ik had die stapel papieren uit Drews aktetas nog niet eens goed bekeken. Ik had alleen de dictafoon gehoord en toen was alles gegaan.

Ik pakte de voorzak open. Rekeningen. Een uitdraai van een bankafschrift. Een geel memoblaadje.

Reuchlin — di 08.00 — vooraf contant (2e deel).

Reuchlin — 14/3 — voldaan.

Twee keer. Negen jaar ertussen.

Om tien voor vijf werd het licht achter de lamellen. Grijs licht. Op de gang werden de marechaussees afgelost; ik hoorde nieuwe stemmen en de oude die gaapten.

Eli was weer in slaap gevallen, tegen me aan, zijn hoofd in de holte van mijn arm. Zijn schoenen had hij nog steeds aan.

Ik maakte voorzichtig de veters los. Linkerschoen. Rechterschoen. Ik zette ze naast elkaar onder het bed, zoals ik elke avond thuis deed, naast de deur van zijn kamer, met zijn broodtrommel erbij voor de volgende ochtend. Bruin brood. Pindakaas. Geen korstjes, want die at hij toch niet.

Negen jaar lang had ik voor het kind van mijn zus boterhammen gesmeerd en het niet geweten.

Om zeven uur ging mijn telefoon.

Christian van Dongen.

Ik nam op en fluisterde, om Eli niet wakker te maken. „Christian.”

„Megan. Hoe is het met je? Met de baby?”

Zijn stem klonk zoals altijd. Rustig. Vriendelijk. De stem van de man die op opa's begrafenis naast me had gestaan en een hand op mijn schouder had gelegd. „Je bent niet alleen, meisje. Ik regel alles.”

„Het gaat,” zei ik. „We hebben niet veel geslapen.”

„Dat begrijp ik.” Een korte stilte. „Ik moet je iets vertellen en ik wil dat je rustig blijft, voor de baby.”

„Zeg het maar.”

„Eleanor is vannacht om drie uur voorgeleid. Haar advocaat, Van Heemstra, heeft het spel hard gespeeld. Ze is om half zeven vrijgelaten. Schorsing van de voorlopige hechtenis, met een meldplicht.”

Ik ging rechtop zitten. Eli bewoog en sliep verder.

„Ze is vrij?”

„Ze mag niet bij je in de buurt komen. Dat is een voorwaarde. Maar ja. Ze is thuis. En Van Heemstra zegt dat die opname van de jongen onrechtmatig is verkregen. Een kind van negen dat stiekem volwassenen opneemt op zolder. Hij gaat proberen het van tafel te krijgen.”

„En Drew?”

„Drew zit nog. Voorlopig.”

Ik keek naar het bandje op de deken. Eli. In dat kleine handschrift.

„Christian,” zei ik. „Jij hebt Iris toen in Duinzicht laten opnemen. Toch?”

Het bleef stil aan de andere kant. Niet lang. Twee tellen. Misschien drie.

„Opa wilde het beste voor haar,” zei hij. „Hoezo vraag je dat nu?”

„Zomaar.”

„Megan.” Zijn stem werd zachter. Te zacht. „Heeft de jongen nog iets anders in die tas gestopt? Iets wat je mij nog niet hebt laten zien? Want als er bewijs is, moet dat via mij lopen, anders—”