Sven deed alsof hij sliep tot ik zijn naam voor de derde keer zei. Toen draaide hij zich om, wreef in zijn ogen en keek me aan met de blik van een kind dat betrapt is op iets wat het niet had willen verbergen maar ook niet had willen vertellen.
"Ilse is hier geweest," zei ik.
Hij ging rechtop zitten. "Wat? Wanneer?"
"Zojuist. Ze zei dat ik jou naar het tweede bestand moet vragen." Ik ging naast hem zitten. "Sven, ik ben je moeder. Ik ben aan jouw kant, wat er ook op staat. Maar ik kan je niet beschermen tegen dingen die ik niet weet."
Hij was lang stil. Toen stond hij op, pakte de schoenendoos onder zijn bed — het zilveren papier was eraf, het was weer gewoon een schoenendoos — en haalde er de tweede USB-stick uit.
"Ik heb het drie keer geluisterd," zei hij zacht. "Ik begrijp niet alles. Maar het gaat over geld. En over Ilse. En over..." Hij aarzelde. "Over dat papa geen keuze had."
"Geef het aan mij," zei ik. "Alsjeblieft."
Hij legde de stick in mijn hand. Hij was warm van zijn handen.
Die nacht, nadat Sven sliep, stak ik de stick in mijn laptop. Het bestand was korter dan het eerste — nog geen twee minuten. En het was geen voicerecorder-opname, maar een telefoongesprek. Joris' stem, helderder, nuchterder, pratend met Ilse.
"—zegt dat niemand het hoeft te weten als ik teken," zei Joris. "Zij regelt de rest."
"Wie is 'zij'?" vroeg Ilse.
"Een vrouw bij de bank. Een oude bekende van Mark. Het kost wat, maar dan is het rond. Vijftienduizend, bovenop de veertig. Daarmee zijn we eruit."
"En Marjan?" Ilse's stem was koel. "Wat als zij erachter komt?"
"Ze komt er niet achter." Een pauze. "En als ze er wel achter komt... dan heb ik jou. Dan zijn we al weg. Dan kan ze niets meer doen."
"Belovend?" zei Ilse zacht.
"Ik beloof het. Zodra dit rond is, verlaat ik haar. Voorgoed. Voor jou."
Klik.
Ik staarde naar het scherm tot het in slaapstand ging. Vijftienduizend bovenop de veertig. Ilse die het regelde. Ilse die wist — niet achteraf, maar vooraf. Die het had gefaciliteerd, aangemoedigd, ervan had geprofiteerd.
En het ergste: "dan zijn we al weg." Het hele plan had al vastgestaan. De affaire, het vertrek, het nieuwe leven — het was geen liefde geweest die Joris had weggetrokken. Het was een vlucht. Een vlucht voor schulden die hij zelf had gemaakt, met een vrouw die hem hielp de sporen uit te wissen.
Mijn telefoon trilde. Een bericht van een onbekend nummer: "Morgen, 14.00 uur. Café De Hoek. Alleen. — I."
Ik had moeten weigeren. Ik had De Boer moeten bellen. Maar er was iets in me — dezelfde koppigheid die me achttien maanden overeind had gehouden — dat wilde het van haarzelf horen. Face to face. Zonder advocaten, zonder microfoons.
De volgende middag zat ik tegenover Ilse in een café dat naar oude koffie en schoonmaakmiddel rook. Ze zag er slecht uit — geen make-up, haar haar in een staart, donkere kringen onder haar ogen. De bruiloft was vier dagen geleden. Ze droeg nog steeds haar trouwring. Of uit gewoonte, of omdat ze niet wist wat ze ermee aan moest.
"Je hebt het gehoord," zei ze. Het was geen vraag.
"Het tweede bestand. Ja."
Ze knikte langzaam. "Dan weet je het. Ik wist het. Vanaf het begin." Ze draaide haar kopje rond in haar handen. "Mark had geld nodig voor zijn bedrijf. Veel geld. Hij had Joris overgehaald om te investeren — Joris wilde indruk maken, wilde laten zien dat hij meer was dan een notarieel medewerker. Toen de investering mislukte, zaten ze samen in de schulden. En Mark kende iemand bij de bank..."
"En jij?"
"Ik..." Ze keek op, en voor het eerst zag ik geen berekening in haar ogen, alleen schaamte. "Ik was verliefd op hem, Marjan. Echt. Maar ik ben ook... ik ben opgegroeid met niets. Mijn moeder poetste bij andere mensen. Ik had gezworen dat ik nooit meer arm zou zijn. En Joris had een huis, een baan, een toekomst. Ik dacht: als ik hem help hieruit te komen, dan zijn we samen vrij. Dan bouwen we iets op."
"Op mijn handtekening," zei ik kil.
"Op jouw handtekening," gaf ze toe. "Het spijt me. Dat meen ik. Maar op dat moment... op dat moment dacht ik alleen aan overleven."
"En de chantage?" vroeg ik. "Sven denkt dat je Joris hebt gechanteerd om met je te trouwen."
Ze lachte bitter. "Slim kind. Half waar. Ik heb hem geen mes op de keel gezet. Maar ik heb hem wel duidelijk gemaakt dat als hij bij jou bleef, alles uit zou komen — de lening, de vervalsing, alles. En dat als hij met mij meeging, ik ervoor zou zorgen dat het nooit uitkwam." Ze keek me aan. "Was dat chantage? Waarschijnlijk. Maar hij wilde ook weg, Marjan. Geloof me. Hij wilde weg van de schulden, van de schaamte, van jou — omdat jij hem elke dag herinnerde aan wie hij was geworden."
De woorden deden pijn, juist omdat er een kern van waarheid in zat. Ik was de spiegel geweest waarin Joris zijn eigen falen zag. En in plaats van zichzelf te veranderen, had hij de spiegel gebroken.
"Waarom vertel je me dit?" vroeg ik.
"Omdat het voorbij is." Ze trok haar trouwring van haar vinger en legde hem op tafel tussen ons in. "Ik heb gisteren de scheiding aangevraagd. En ik ga getuigen, Marjan. Tegen hem. Voor de rechter, onder ede, alles wat ik weet." Haar stem brak. "Ik ben geen goed mens. Maar ik weiger nog langer zijn alibi te zijn."
Ik keek naar de ring op tafel, naar deze vrouw die mijn leven had helpen verwoesten en nu voor me zat als een wrak. "Waarom zou ik je geloven?"
"Dat hoef je niet." Ze stond op. "Maar vraag jezelf af: wat heb ik eraan om te liegen? Ik verlies alles — mijn man, mijn reputatie, misschien mijn vrijheid. De waarheid is het enige wat me nog rest."
Ze liep weg en liet de ring liggen. Ik staarde ernaar tot de serveerster hem discreet weghaalde, alsof het een vergeten voorwerp was.
Die avond belde ik De Boer. "Meneer De Boer? Ilse gaat getuigen. Tegen Joris."
Even was het stil aan de andere kant. Toen zei hij: "Mevrouw De Vries... dan is dit voorbij voordat het is begonnen. Met haar getuigenis, de opnames en het contract heeft uw ex-man geen schijn van kans." Hij pauzeerde. "Bereid u voor. Dit wordt geen gevecht meer. Dit wordt een executie."
Ik hing op en keek uit het raam naar de tuin, waar Sven met een bal tegen de muur trapte — hetzelfde ritme als altijd. En ik dacht aan Ilse's woorden: hij wilde weg van jou, omdat jij hem herinnerde aan wie hij was geworden.
Misschien was dat wel de waarste zin die ik in achttien maanden had gehoord.
→ Deel 11 — De tegenaanval