De grijsblauwe pot uit oma’s kast: waarom was die vroeger zo waardevol?

Tussen oktober en april kwam er nauwelijks iets vers van het land. Wie de winter goed door wilde komen, moest in zomer en najaar al beginnen met inmaken. De Keulse pot speelde daarbij een hoofdrol, omdat de inhoud er maandenlang veilig in bewaard kon worden.

Snijbonen, zuurkool, spek en eieren

Typisch waren snijbonen en zuurkool. De verse bonen of fijngesneden kool werden in laagjes in de pot gedaan, afgewisseld met flink wat zout. Bovenop kwam een linnen doek, daarop een houten schijf en daarop een zware steen. Zo bleef alles onder de pekel, en kregen schimmel en bederf geen kans.

De pot ging vervolgens op een koele plek, vaak in de kelder of de bijkeuken, en werd regelmatig gecontroleerd. Niet alleen groente verdween in de pot. In november, na het slachten van het varken, werd ook spek en vlees in zout ingelegd. Eieren werden in de zomer gekookt, gepeld en in azijn bewaard, zodat er in de winter, als de kippen minder legden, toch eiwit op tafel kon komen.

Hoe de pot uit de keuken verdween

Aan het begin van de twintigste eeuw kwam er een concurrent. De Duitse firma Johann Weck begon rond 1900 met de massaproductie van weckflessen: glazen potten met een rubberen ring en een metalen beugel, waarin je voedsel kon steriliseren. Wecken was minder fysiek werk dan inleggen en het resultaat hield het ook lang.

De aanschaf van weckpotten en een weckketel was destijds een flinke investering. Toch ging in de loop van decennia het ene gezin na het andere over. Met de komst van koelkast en diepvries, en later de supermarkt met jaarrond vers aanbod, verdween de noodzaak om zelf in te leggen vrijwel helemaal.

Van werkpaard tot verzamelobject

De potten zelf werden niet allemaal weggegooid. Veel exemplaren belandden op zolder, in de schuur of als plantenpot in de tuin. Anderen kregen een tweede leven als bewaarpot voor boter, reuzel, zout, mosterd of soda, of staan puur decoratief in een moderne keuken.

Onder verzamelaars zijn bepaalde modellen, zeker oudere en versierde exemplaren, gewild. De typische grijs-blauwe pot met kobaltdecoratie is uitgegroeid tot een herkenbaar stukje volkscultuur. Musea zoals het Wijhes Museum tonen mooie collecties, waar je goed kunt zien hoe gevarieerd het assortiment ooit was.

Heb je er zelf één staan?

Vind je zo’n pot terug bij je oma of op zolder, kijk hem dan eens met andere ogen. Onder die simpele grijze buitenkant zit eeuwen vakmanschap en een stuk dagelijks leven dat we vandaag bijna niet meer kunnen voorstellen. Een tijd waarin een goed gevulde Keulse pot het verschil maakte tussen een rustige en een zware winter.

Hergebruiken hoeft niet ingewikkeld te zijn. Als plantenbak, paraplubak of opvallend element in de hal doet de pot het nog altijd uitstekend. En wie wil, kan ook nog steeds zuurkool of zoute snijbonen maken zoals overgrootmoeder dat deed, in dezelfde pot die zij ooit gebruikte.