In menig zolder of schuur treft men hem aan: een massieve grijze pot van stevig aardewerk, doorgaans voorzien van blauwe decoratie en een dikke, gesloten wand. Een voorwerp waarvan de meeste huisgenoten niet meer kunnen zeggen wat ermee werd gedaan. Toch was dit item circa honderd jaar geleden in vrijwel ieder Nederlands huis aanwezig.
Het betreft de zogenaamde Keulse pot. Een bescheiden keukenobject met een opmerkelijk boeiende achtergrond, dat bepaalde of een winter voorspoedig of moeizaam zou zijn. Reden om dit stuk eens nader te bestuderen.
Wat is een Keulse pot precies?
Een Keulse pot is een grote, dikwandige pot van steengoed, ook wel gres genoemd. Hij is meestal grijs of lichtblauw, met kobaltblauwe decoratie. Bruine varianten bestaan ook. De potten zijn vaak fors: van een paar liter tot soms tientallen liters inhoud.
Steengoed wordt gemaakt van vette klei en gebakken op een hoge temperatuur, ergens tussen 1200 en 1300 graden. Tijdens dat bakken sintert de klei tot een steenharde, dichte massa. Door tijdens het bakken keukenzout of soda in de oven te brengen, ontstond een dunne laag zoutglazuur. Die laag is bijna onzichtbaar, maar maakt de pot waterdicht en bestand tegen zuur en zout.
Waarom Keuls? De link met het Rijnland
De naam verraadt de herkomst. Rond de Duitse stad Keulen werd al in de dertiende eeuw steengoed geproduceerd. Vanaf de veertiende eeuw groeide het gebied uit tot een bekende leverancier van dit type aardewerk voor heel West-Europa. Later werden vergelijkbare potten ook in België en in Nederland gemaakt, onder meer in Roermond.
Wat de Keulse pot bijzonder maakt, is de combinatie van rivierklei en die dunne laag zoutglazuur. De pot neemt geen geurtjes of smaken op, laat geen vocht door en is sterk genoeg om jarenlang dezelfde inhoud te dragen zonder te lekken of barsten.
Een winter overleven zonder koelkast
Om te begrijpen waarom zo’n pot vroeger onmisbaar was, helpt het je te bedenken hoe huishoudens er rond 1900 uitzagen. Geen koelkast, geen diepvries, geen importgroente uit Spanje of Marokko, geen verwarmde kassen. En zeker op het platteland waren gezinnen voor groente, vlees en eieren grotendeels op zichzelf aangewezen.