‘Omdat uw moeder dacht dat u niet naar haar zou luisteren zonder bewijs.’
Ik keek naar de recorder op tafel.
‘Heb je haar ondervraagd?’
‘Ik heb haar gevraagd wat ze zelf wilde vertellen. Meer niet.’
‘Zet dat ding uit.’
Henk deed het meteen.
Mila liet me los en keek naar de foto’s aan de muur.
‘Hier ligt mama’s blauwe tas,’ zei ze.
Mijn moeder liep naar een oude kast en haalde er een sleutelbos uit. Haar handen trilden. Niet veel. Net genoeg om het metaal tegen elkaar te laten tikken.
‘Sophie heeft dit huis nooit laten verkopen,’ zei ze.
‘Dat zei je wel.’
‘Ik zei dat de makelaar het niet wilde hebben. Dat was iets anders.’
‘Je hebt tegen me gelogen.’
‘Ja.’
Het woord viel tussen ons in zonder dat iemand het probeerde op te vangen.
Mijn moeder liep naar een metalen kast in de hoek. Ze gebruikte een sleutel die aan een dun rood lint hing. Binnen lag een blauwe leren tas, half verscholen onder oude dekens.
Ik herkende hem onmiddellijk.
Sophie had die tas overal mee naartoe genomen. Naar de notaris. Naar haar werk. Naar het ziekenhuis toen Mila geboren werd.
Mijn moeder zette hem op tafel.
‘Ik vond hem zes weken na het ongeluk,’ zei ze. ‘Achter de losse plank in de slaapkamer.’
‘Waarom heb je hem niet aan mij gegeven?’
Haar blik gleed naar Mila.
‘Omdat ik eerst wilde weten of jij erbij betrokken was.’
Ik voelde mijn vingers om de rand van de tafel sluiten.
‘Waarbij betrokken?’
Henk opende de rode map.
Er lagen kopieën in van bankafschriften, e-mails, volmachten en contracten. Mijn naam stond erop. Sophies naam ook. Sommige handtekeningen leken echt. Andere waren te hoekig, alsof iemand ze had nagetekend.
‘Uw vrouw ontdekte dat er geld uit Noordlijn Logistiek verdween,’ zei Henk. ‘Niet een paar duizend euro. Bijna twee miljoen.’
Ik keek naar de laatste pagina.
Daar stond de naam van mijn broer.
Victor van Dijk.
‘Dat kan niet.’
‘Dat zei Sophie ook,’ zei mijn moeder. ‘Tot ze de overschrijvingen vond.’
Mijn telefoon begon boven aan de trap te trillen. Het geluid klonk hard in het vochtige huis.
Ik haalde hem tevoorschijn.
Zeventien gemiste oproepen. Allemaal van Victor.
Daaronder stond een bericht.
Daan, bel me onmiddellijk. De investeerders willen weten waarom je niet op Schiphol was.
Ik keek naar Henk.
‘Hoe lang weet je dit al?’
‘Ik weet het pas zeker sinds gisteren. Daarvoor had ik vermoedens.’
‘En jullie namen Mila mee naar een verlaten huis om mij dat te vertellen?’
Mijn moeder sloeg haar armen over elkaar.
‘Victor kwam vorige week bij mij thuis. Hij wist van deze plek. Hij zei dat jij de overeenkomst in Chicago moest tekenen, anders zou Noordlijn failliet gaan. Hij zei ook dat Sophie psychisch instabiel was geweest en dat jij haar administratie had overgenomen.’
‘Dat is belachelijk.’
‘Hij had documenten bij zich,’ zei Margriet. ‘Documenten met jouw handtekening.’
‘Vervalsingen.’
‘Dat weet ik nu.’
‘En je geloofde hem?’
Mijn moeder keek naar de vloer.
‘Ik wist niet wie ik moest geloven.’
Die zin deed meer pijn dan haar leugen.
Niet omdat ze mijn broer had verdacht. Omdat ze mij al die tijd had aangekeken alsof ik misschien een man was die zijn eigen vrouw naar de dood had gedreven.
Mila trok zacht aan mijn hand.
‘Papa, ik heb niks verkeerd gedaan.’
Ik hurkte voor haar neer.
‘Nee. Helemaal niets.’
‘Oma zei dat je boos zou worden.’
Ik keek achterom naar mijn moeder.
‘Ze had gelijk,’ zei ik.
Op dat moment hoorde ik buiten een auto over het grind rijden.
Henk liep naar het kleine kelderraam. Hij keek naar buiten en trok het gordijn opzij.
‘Er komt iemand aan.’
Een portier sloeg dicht.
Mijn moeder werd wit.
‘Dat kan niet.’
‘Wie is het?’ vroeg ik.
Ze antwoordde niet.
Toen klonk er boven ons een harde klop op de voordeur. Niet aarzelend. Niet beleefd.
Nog een klop.
Daarna de stem van Victor.
‘Margriet, doe open. Ik weet dat Mila hier is.’
Mila verstijfde tegen mijn zij.
Ik voelde iets kouds door mijn borst trekken. Niet angst. Herkenning.
Victor had geweten waar mijn moeder haar naartoe bracht.
Hij had geweten dat Mila er zou zijn.
De voordeur ging open. Iemand had een sleutel.
Mijn moeder fluisterde: ‘Hij zei dat hij alleen kwam.’
‘Dat doet hij nooit,’ zei ik.
Voetstappen liepen door de gang. Victor was niet alleen. Ik hoorde minstens twee andere mensen, daarna een vrouwenstem die zich voorstelde als jeugdbeschermer.