De rivier had mijn vaders laarzen al opgeslokt toen Ranger van de veranda sprong, zijn tanden in vaders jas zette en hem vasthield voordat het water hem meenam

Hij keek naar het water.

“Even vasthouden.”

Dus stonden we daar.

Een oude man, zijn dochter en een versleten leren halsband.

Geen huis meer aan de rivier.

Geen rechtszaak.

Geen makelaar.

Geen camera achter een kast.

Maarten kwam inmiddels ongeveer eens per maand koffie drinken. Soms praatten ze twintig minuten. Soms vijf. Mijn vader vertrouwde hem niet meer met geld, papieren of sleutels.

Maar hij noemde hem weer zijn zoon.

Dat bleek ingewikkeld genoeg.

Mijn vader gaf mij de halsband terug.

“Weet je wat het verschil is tussen Ranger en mensen?”

Ik keek hem aan.

“Ranger beet alleen wanneer het nodig was?”

“Dat ook.”

Hij trok zijn jas dicht.

“Hij hoefde nooit uit te leggen aan welke kant hij stond.”

We liepen terug naar de auto.

Achter ons stroomde de IJssel verder alsof daar nooit iets gebeurd was.

Rivieren zijn daar goed in.

Families veel minder.