De lampen in de gang doofden.
Een seconde later sprong de noodverlichting aan en kleurde alles zwak rood. De beveiliger naast ons greep onmiddellijk naar zijn portofoon.
‘Centrale, wat gebeurt er?’
Alleen ruis.
Mam pakte mijn hand.
‘Dit is geen stroomstoring.’
Aan de andere kant van het glas stond Anna nog steeds met haar mouw omhoog. Ze keek naar de deur van haar kamer en begon plotseling hard op het glas te tikken.
‘Wat zegt ze?’ vroeg ik.
De dokter boog zich naar de intercom, maar die was dood.
Anna wees naar de deur.
De grijze beveiliger begreep het meteen.
‘Blijf hier.’
Hij trok zijn zaklamp en verdween de gang in met zijn collega. De dokter draaide de deur van onze observatieruimte op slot.
‘Wat gebeurt er als de noodstroom uitvalt?’ vroeg ik.
‘Dat gebeurt niet.’
‘Dat zei je niet erg overtuigend.’
Mam liet mijn hand los en liep naar het glas.
‘Anna wist dat ze gevolgd werd.’
‘Hoe weet je dat?’
‘Omdat ze geen telefoon bij zich had. Ze wilde niet gevonden worden.’
Ik keek naar mijn moeder—Elisabeth, Ellen, welke naam ik ook moest gebruiken—en voelde opnieuw die vreemde afstand tussen ons.
‘Je moet stoppen met me halve antwoorden te geven.’
Ze draaide zich naar mij om.
‘Je hebt gelijk.’
Voor ze verder kon gaan, klonk er buiten een metalen slag.
De dokter verstijfde.
Daarna hoorden we voetstappen.
Niet rennend.
Langzaam.
Iemand liep door de donkere gang.
De deurklink bewoog.
Eenmaal.
Tweemaal.
De dokter deed een stap achteruit.
‘Beveiliging heeft een sleutel,’ fluisterde hij.
‘Dan is dat hen niet,’ zei Mam.
De voetstappen verdwenen.
Pas toen durfde ik weer adem te halen.
Mam keek me aan. ‘In 1988 zagen Anna en ik een man sterven.’
Ik zei niets.
‘We werkten die zomer allebei in een particulier verzorgingscentrum. Ik in de keuken, Anna in de wasserij. Op een avond bleef ik langer omdat iemand ziek was geworden. Anna wachtte op me.’
Haar ogen verloren hun focus.
‘We hoorden ruzie in een afgesloten vleugel. Een man schreeuwde dat hij documenten openbaar zou maken. Daarna hoorden we iets vallen.’
‘Wie was hij?’
‘Dokter Willem Vos. Hij werkte voor verschillende ziekenhuizen en overheidsinstanties.’
De dokter naast ons keek op bij die naam.
‘U kent hem?’ vroeg ik.
‘Alleen uit oude medische publicaties. Vos verdween eind jaren tachtig.’
Mam lachte bitter.
‘Hij verdween niet.’
Ze vertelde dat zij en Anna door een halfopen deur hadden gezien hoe Vos op de vloer lag terwijl drie mannen zijn aktetas doorzochten. De zussen vluchtten voordat ze ontdekt werden en gingen de volgende ochtend naar de politie.
Twee dagen later werden ze onder bescherming geplaatst.
‘En toen kregen jullie de bloemen.’
‘Ja.’
‘Van wie?’
‘Een arts.’
De dokter keek naar haar pols.
‘Welke arts?’
Mam zweeg.
‘Elisabeth.’
Anna’s stem kwam plotseling krakend uit de intercom.
Iedereen draaide zich om.
Het systeem leefde weer.
‘Luister naar me,’ zei Anna. ‘De bloem was nooit bedoeld om ons te beschermen.’
Mam drukte op de knop. ‘Wat bedoel je?’
‘Ik heb jaren nodig gehad om dat te ontdekken.’
‘Anna, wie heeft je verteld dat ik dood was?’
‘Dezelfde man die jou vertelde dat ik dood was.’
Mam werd bleek.
‘Dokter Hendrik Smit.’
De arts naast ons stapte achteruit alsof hij de naam herkende.
Ik zag het.
‘Wie is dat?’
Hij keek naar mij en vervolgens naar Mam.
‘Hendrik Smit was jarenlang medisch directeur van dit ziekenhuis.’
‘Was?’
‘Hij ging vijftien jaar geleden met pensioen.’
Anna schudde aan de andere kant van het glas haar hoofd.
‘Nee. Dat is wat er officieel staat.’
Mam drukte haar hand tegen het raam.
‘Waar ben je al die jaren geweest?’
Anna sloot haar ogen.
‘Nadat ze ons scheidden, brachten ze me naar België. Na drie maanden probeerde iemand me tijdens een overplaatsing mee te nemen. Mijn begeleider hielp me ontsnappen. Hij vertelde me dat het programma gecompromitteerd was.’
‘Waarom kwam je niet naar mij?’
‘Omdat ik dacht dat jij dood was.’
Dezelfde leugen.
Aan beide kanten.
‘En elf dagen geleden?’ vroeg Mam.
Anna keek haar aan.
‘Elf dagen geleden kreeg ik een foto.’
Ze haalde iets uit haar jaszak. De beveiligers hadden blijkbaar één ding over het hoofd gezien: een klein opgevouwen stuk papier.
Ze hield het tegen het glas.
Het was een foto van mijn moeder.
Recent.
Ze stond voor haar eigen huis.
Op de achterkant stond dezelfde blauwe bloem getekend.
‘Wie stuurde die?’ vroeg ik.
‘Geen naam.’
Mijn maag draaide om.
‘Dus iemand wilde dat jullie elkaar vonden.’
Anna knikte.
‘Of wilde ons op dezelfde plek krijgen.’
Op dat moment ging de deur achter ons open.
Ik schrok zo hard dat ik bijna tegen het glas botste.
De grijze beveiliger kwam binnen.
‘We moeten verplaatsen. Nu.’
‘Waarom?’
‘De stroomuitval was opzettelijk. Iemand heeft een schakelkast op deze verdieping geopend met een personeelspas.’
De dokter vloekte zacht.
‘Van wie?’
De beveiliger keek naar hem.
‘Een gepensioneerde medewerker.’
Mam hoefde de naam niet te horen.
‘Smit.’
De man knikte.
We werden via een diensttrap naar een afgesloten administratieve verdieping gebracht. Anna liep bij ons, maar de hereniging waar ik enkele minuten eerder getuige van dacht te worden, gebeurde niet. Mijn moeder en haar zus liepen naast elkaar als twee mensen die bang waren dat de ander zou verdwijnen zodra ze elkaar aanraakten.
Pas in een afgesloten vergaderruimte omhelsden ze elkaar.
Achtendertig jaar verdween niet in één omhelzing.
Maar voor een paar seconden zag ik twee zussen in plaats van twee vrouwen met gestolen levens.
Daarna legde Anna de oude envelop op tafel.
‘Deze zat bij de foto.’
Ze opende hem.
Binnenin zat een kopie van een document uit 1988.
Bovenaan stond:
PROJECT BLAUWE BLOEM.
Daaronder stonden twaalf namen.
Naast elf daarvan stond in rode letters: OVERLEDEN.
De twaalfde regel was gedeeltelijk zwartgemaakt.
Anna schoof het papier naar Mam.
‘Wij waren niet de enige getuigen.’
Mijn moeder staarde naar de lijst.
‘Wat betekent “overleden”?’
‘Dat weet ik inmiddels wel.’
Anna wees naar de blauwe bloem op haar pols.
‘De tattoo identificeerde geen mensen die beschermd moesten worden.’
Ze slikte.
‘Hij identificeerde mensen die gevolgd moesten worden.’
Mijn blik viel op de twaalfde regel.
Onder de zwarte inkt was nog één datum zichtbaar.
Elf dagen geleden.
Dezelfde dag waarop Mams oude dossier opnieuw was geactiveerd.
‘Wie is nummer twaalf?’ vroeg ik.
Anna keek naar mijn moeder.
‘Dat is precies waarom ik je heb gezocht.’
Ze draaide het document om.
Op de achterkant stond één handgeschreven zin.
Mam las hem en alle kleur verdween uit haar gezicht.
Ik pakte het papier uit haar hand.
Nummer twaalf is haar kind.
Mijn handen begonnen te trillen.
‘Haar kind?’
Anna keek niet naar Mam.
Ze keek naar mij.
En voor het eerst sinds dit allemaal begonnen was, was mijn moeder niet degene in de kamer die bang leek te zijn.
Dat was ik.