Het pensioenstelsel ondergaat een ingrijpende hervorming, maar een aspect krijgt thuis weinig aandacht: het pensioen voor nabestaanden. De komende Wet toekomst pensioenen brengt aanzienlijke wijzigingen met zich mee in de manier waarop je partner en kinderen financieel beschermd zijn wanneer je overlijdt. Wie hiervan onwetend is, riskeert zijn naasten onbedoeld in een lastig financieel positie achter te laten.
Deze wet geldt sinds 1 juli 2023 en vereist dat alle pensioenregelingen uiterlijk 1 januari 2028 zijn omgeschakeld. Sommige fondsen gaan sneller te werk: PFZW streeft naar 2026, ABP naar 2027. In deze overgangsfase schuilen talrijke onzichtbare gevaren waar veel mensen niet op bedacht zijn.
Van eigen potje naar verzekering
De belangrijkste omslag zit in de basis. Vroeger bouwde je jaar op jaar een eigen nabestaandenpensioen op, afhankelijk van je dienstjaren en salaris. In het nieuwe stelsel werkt het als een verzekering: zolang je actief pensioen opbouwt via je werkgever, is je partner verzekerd.
Dat betekent dat een starter vanaf dag één een volledige dekking heeft, in plaats van pas na tientallen dienstjaren. De hoogte wordt een vast percentage van je pensioengevend salaris op het moment van overlijden.
De maxima liggen wettelijk vast, al kunnen regelingen lager uitpakken. Voor het partnerpensioen is het maximum 50 procent van het pensioengevend salaris, levenslang uit te keren. Het wezenpensioen mag maximaal 20 procent per kind zijn tot 25 jaar, en 40 procent voor volle wezen.
Wat je fonds er zelf van maakt
Die maxima zijn de bovengrens, geen belofte. In de praktijk verschilt het per fonds behoorlijk. Bij ABP ligt het partnerpensioen bijvoorbeeld rond de 41 procent van het salaris, met 7 procent per kind en het dubbele voor volle wezen. Militairen zitten iets hoger.
PMT kiest voor een andere opzet: 20 procent levenslang voor de partner, met tijdelijk extra tot de AOW-leeftijd. Andere fondsen zitten daar ergens tussenin, meestal tussen 20 en 50 procent voor de partner en 10 tot 20 procent voor kinderen.
Voor wie een uitkering van 50 procent gewend was en straks in een regeling van 20 procent belandt, kan het verschil over een leven aan uitkeringen makkelijk in de tienduizenden euro’s lopen. Reeds opgebouwde rechten uit het oude stelsel blijven overigens bestaan, maar worden wel omgezet volgens de regels van de nieuwe uitvoering.
Uit dienst? Dan tikt de klok
Hier zit misschien wel het grootste risico. Omdat het nabestaandenpensioen een verzekering wordt die aan je actieve deelname hangt, stopt de dekking als je uit dienst gaat. Denk aan baanverlies, een overstap tussen twee banen, of de sprong naar het ondernemerschap als ZZP’er.