Meer dan een verzameling spullen
Voor buitenstaanders lijken de voorwerpen vaak willekeurig, waardeloos of eenvoudig vervangbaar. Voor de persoon zelf kan ieder object echter verbonden zijn met een herinnering, een mogelijkheid, een gevoel van veiligheid of de overtuiging dat het later nog nodig kan zijn. Weggooien wordt daardoor niet ervaren als een eenvoudige huishoudelijke handeling, maar als een verlies.
Een krant kan herinneren aan een bepaalde periode. Een kapot voorwerp kan worden bewaard omdat het misschien ooit gerepareerd kan worden. Een lege verpakking kan vertrouwd aanvoelen of symbool staan voor zuinigheid en voorbereiding. De praktische waarde is dan minder belangrijk dan de emotionele of psychologische betekenis die eraan is toegekend.
Naarmate de verzameling groeit, kan ook de drempel om op te ruimen hoger worden. De hoeveelheid spullen maakt het moeilijk om te beslissen waar te beginnen. Iedere keuze kan spanning oproepen en het vooruitzicht dat veel voorwerpen moeten verdwijnen, kan overweldigend zijn. Uitstel zorgt vervolgens voor nog meer ophoping, waardoor een zichzelf versterkend patroon kan ontstaan.
Schaamte kan eveneens een belangrijke rol spelen. Zodra iemand beseft dat anderen de situatie waarschijnlijk zullen afkeuren, kan hij of zij bezoek gaan vermijden. Daardoor neemt het sociale isolement toe en verdwijnt ook de kans dat iemand in een vroeg stadium steun biedt. De woning wordt steeds meer een afgesloten wereld waarin de bestaande situatie zonder tegenwicht kan voortduren.
Een overlevingsmechanisme in het licht van trauma
Psychogeriater Jean-Claude Monfort werpt licht op dit fenomeen en beschrijft het gedrag vaak als een reactie op een emotionele schok. Die schok kan in de jeugd zijn ontstaan, maar ook veel later in het leven. Niet het moment alleen, maar vooral de manier waarop de ervaring psychologisch wordt verwerkt, kan bepalend zijn.
Een pijnlijke scheiding van het gezin, het verlies van een geliefde of een plotselinge omwenteling in iemands leven kan iemand zo diep raken dat een unieke vorm van psychologische weerstand ontstaat. Het verzamelen van voorwerpen kan dan langzaam veranderen in een beschermingsstrategie. De bezittingen vormen als het ware een schild tussen de persoon en een buitenwereld die als onvoorspelbaar, pijnlijk of bedreigend wordt ervaren.
Dit proces is meestal niet bewust gepland. De persoon besluit niet op een bepaald moment om een woning vol te zetten als bescherming tegen verdriet. Het gedrag kan geleidelijk groeien. Een voorwerp bewaren geeft tijdelijk rust. Een nieuwe aankoop of vondst zorgt kort voor een gevoel van zekerheid. Het vermijden van opruimen voorkomt de spanning die afscheid nemen oproept. Door herhaling kan dit patroon steeds sterker worden.
De spullen kunnen zo een gevoel van continuïteit bieden. Waar relaties kunnen eindigen en omstandigheden onverwacht kunnen veranderen, blijven objecten aanwezig. Ze stellen geen vragen, uiten geen kritiek en verlaten de persoon niet uit zichzelf. Juist daardoor kunnen ze onbewust de plaats innemen van verloren veiligheid of menselijke nabijheid.
Net als de filosoof Diogenes, die na een comfortabel leven koos voor een ascetisch bestaan, bouwen deze mensen een innerlijk fort op door middel van hun verzamelingen van objecten. De vergelijking verwijst niet naar een identieke levenshouding, maar naar het beeld van iemand die zich terugtrekt uit de gebruikelijke maatschappelijke verwachtingen en een eigen afgeschermde wereld creëert.
De woning kan hierdoor veranderen in een tastbare grens tussen binnen en buiten. Voor familieleden en hulpverleners lijken de stapels een obstakel dat moet worden verwijderd. Voor de persoon zelf kunnen dezelfde stapels juist bescherming, vertrouwdheid en controle vertegenwoordigen. Dit verschil in beleving verklaart waarom goedbedoelde opruimpogingen soms op hevig verzet stuiten.