“Nee.”
Dat antwoord kwam onmiddellijk.
“Nee, mevrouw De Wit. Dat zeg ik absoluut niet.”
“Maar ik voelde beweging.”
“Een grote massa, darmbewegingen en vocht kunnen sensaties veroorzaken die heel echt voelen.”
“Mijn buik groeide.”
“Dat is ook echt gebeurd.”
“Mijn borsten deden pijn.”
“Hormonale veranderingen kunnen dat ook veroorzaken.”
“Dus mijn lichaam heeft tegen me gelogen?”
Dokter Van Dalen schudde zijn hoofd.
“Uw lichaam probeerde u iets te vertellen.”
Die zin brak haar.
Johanna begon te huilen.
Niet luid.
Niet dramatisch.
Ze bedekte haar gezicht met beide handen en kromp op het ziekenhuisbed in elkaar.
“Maar ik praatte tegen haar.”
De verpleegkundige naast haar knipperde snel met haar ogen.
“Ik noemde haar Elise.”
Niemand wist wat te zeggen.
“Ik heb een kamer gemaakt.”
Ze huilde nu harder.
“Ik kocht een wieg.”
Dokter Van Dalen liet haar huilen.
Er bestaan momenten waarop een arts niets kan repareren met woorden.
Dit was er één van.
Na een tijdje fluisterde Johanna:
“Ga ik dood?”
De vraag veranderde de kamer opnieuw.
“Dat weten we nog niet,” zei de arts eerlijk.
“Is het kanker?”
“Dat kunnen we pas na verder onderzoek zeggen.”
“Hoe groot is het?”
Hij aarzelde.
“Ongeveer achtentwintig centimeter.”
Johanna keek hem aan.
“Achtentwintig?”
“Ja.”
“Dat zat in mijn buik?”
“Waarschijnlijk is het langzaam gegroeid.”
“En dokter Meijer zag dat niet?”
Niemand antwoordde.
Dat was het begin van een tweede onderzoek.
Niet alleen naar Johanna’s lichaam.
Ook naar haar medische begeleiding.
Diezelfde middag werd een gynaecologisch oncologisch team ingeschakeld.
De scans lieten een enorme massa zien die uitging van een eierstok.
Er was ook vocht in de buik.
De massa drukte tegen haar blaas, darmen en middenrif.
Daarom was lopen de laatste maanden zo zwaar geworden.
Daarom was ze buiten adem.
Daarom was haar buik gegroeid.
Ze was niet “hoogzwanger”.
Ze was ziek.
Maar er was ook voorzichtig goed nieuws.
De scan liet geen duidelijke uitgebreide uitzaaiingen zien.
Dat betekende niet dat het goedaardig was.
Maar het gaf hoop.
Echte hoop.
Geen fantasie.
Geen belofte.
Een kans.
Johanna werd twee dagen later geopereerd.
De operatie duurde bijna vijf uur.
De massa werd verwijderd.
Er werd weefsel opgestuurd voor onderzoek.
Toen ze wakker werd, lag haar zus Marianne naast haar bed.
Marianne had maandenlang getwijfeld aan de zwangerschap.
Maar ze had nooit hardop durven zeggen wat ze dacht.
“Jo?”
Johanna opende haar ogen.
“Is ze weg?”
Marianne wist meteen wat ze bedoelde.
Niet alleen de tumor.
Ook Elise.
Ze pakte haar hand.
“Ja.”
Johanna sloot haar ogen.
“Dus er was nooit een baby.”
Marianne huilde.
“Het spijt me.”
Johanna draaide haar gezicht naar het raam.
“Waarom heeft niemand iets gezegd?”
Marianne verstijfde.
“Wat bedoel je?”
“Jullie moeten het toch raar hebben gevonden.”
Stilte.
“Marianne?”
Haar zus slikte.
“Ja.”
Johanna keek haar aan.
“En?”
“Ik dacht dat misschien… op jouw leeftijd…”
“Wat?”
“Dat je iets wanhopig wilde geloven.”
Johanna trok haar hand terug.
Dat deed Marianne meer pijn dan schreeuwen.
“Ik wilde je niet vernederen.”
“Dus je liet me negen maanden lang geloven dat ik een kind zou krijgen?”
“Ik wist het niet zeker!”
“Je had me naar een andere arts kunnen brengen.”
“Ik heb het voorgesteld.”
“Eén keer.”
Marianne begon te huilen.
“Je werd zo boos.”
“Dus je liet het gaan.”
“Ik was bang je kwijt te raken.”
Johanna keek naar het plafond.
“En nu ben ik mijn kind kwijt dat nooit bestond.”
Dat gesprek duurde niet lang.
Sommige wonden hebben rust nodig voordat er woorden in passen.
Drie dagen later kwam de patholoog met de uitslag.
De tumor was borderline.
Niet volledig goedaardig.
Maar ook geen agressieve gevorderde kanker.
De chirurg had hem volledig kunnen verwijderen.
Johanna zou controles nodig hebben.
Maar haar prognose was goed.
Dat was het nieuws dat iedereen wilde vieren.
Johanna niet.
Niet meteen.
Iedereen zei:
“Wat een geluk.”
“Je bent gered.”
“Het had veel erger kunnen zijn.”
Allemaal waar.
Maar niemand begreep dat ze rouwde.
Om iemand die nooit had bestaan.
Dat maakte de rouw niet minder echt.
In haar hoofd had Elise bestaan.
Ze had tegen haar gepraat.
Voor haar gezongen.
Een babydekentje gekocht.
Een naam gekozen.
Een toekomst gemaakt.
Nu moest ze afscheid nemen van een kind dat alleen in haar verwachting had geleefd.
Het ziekenhuispsychologenteam hielp haar.
De psycholoog zei iets wat Johanna maanden later nog herinnerde:
“U hoeft niet te kiezen tussen dankbaar zijn dat u leeft en verdriet hebben om wat u dacht dat u zou krijgen.”
Dat hielp.
Een beetje.
Ondertussen begon ook het onderzoek naar dokter Meijer.
De ziekenhuisartsen meldden hun zorgen bij de medische toezichthouder.
De dossiers werden opgevraagd.
Johanna gaf toestemming.