Gooi deze tuinplant niet in de gft-bak: dit kun je er wél mee doen

 

Met z’n frisgroene, bijna bamboe-achtige stengels en opvallende bladeren oogt hij vrij onschuldig. Maar schijn bedriegt: de Japanse duizendknoop is een plant waar je het liefst zo snel mogelijk van af bent.

Zodra je ’m in je tuin hebt, begint de echte uitdaging. Hij groeit razendsnel, verspreidt zich makkelijk en komt telkens weer terug. Vooral het verwijderen gaat vaak mis: een minuscuul restje kan alweer genoeg zijn om opnieuw uit te lopen.

Een soort die niet van oorsprong Nederlands is

De Japanse duizendknoop komt uit Azië en groeide van nature in Japan, China en Korea. In de negentiende eeuw is hij naar Nederland gehaald.

Inmiddels kom je ’m overal tegen: in particuliere tuinen, maar ook langs spoorlijnen, wegen, bermen en op braakliggende stukken grond.

Hij geldt als een invasieve exoot: een soort die hier niet thuishoort en zich sterk kan verspreiden.

Waarom je ’m beter niet in je tuin hebt

Het grootste probleem is de enorme groeikracht. Als de Japanse duizendknoop het naar z’n zin heeft, vormt hij snel een dichte massa.

Andere planten krijgen dan minder licht en ruimte. In een zorgvuldig aangelegde border kan dat behoorlijk frustrerend zijn.

Ook rond bestrating en gebouwen kan hij ellende geven. De wortels dringen in bestaande scheuren en zwakke plekken en kunnen die verder openwerken.

Een piepklein stukje is al genoeg

En dáár zit precies de crux.

De Japanse duizendknoop loopt opnieuw uit vanuit kleine achtergebleven stukjes. Ga je fanatiek spitten en hak je daarbij de wortels in allemaal delen, dan maak je het probleem vaak alleen maar groter.