De dagen voorafgaand aan Coming Out Day bracht een bijzonder verzoek binnen de muren van het parlement onverwachte spanning teweeg. Binnen de organisatie van de Tweede Kamer leefde het idee om een kleurrijk statement te maken, maar niet iedereen bleek daar zomaar mee akkoord te gaan.

Ambtenaren verbonden aan het regenboognetwerk van de Kamerorganisatie namen het initiatief en gaven aan op Coming Out Day graag de regenboogvlag te willen laten wapperen boven het Kamergebouw. Het presidium, oftewel het dagelijks bestuur van de Tweede Kamer, gaf aanvankelijk groen licht voor dit symbolische gebaar.
Haagse bronnen bevestigen dat hiermee aan het verzoek van de ambtenaren werd voldaan, wat in lijn leek met de groeiende aandacht voor diversiteit en inclusiviteit binnen overheidsinstellingen.
Bezwaar vanuit onverwachte hoek
Toen het besluit eenmaal was genomen, werden ook de kleinere fracties in de Tweede Kamer op de hoogte gebracht van het plan. Op dat moment kwam er verzet vanuit de SGP. De partij maakte kenbaar dat het Kamergebouw primair een symbool is van het Nederlandse parlement en niet uitsluitend een werkplek voor ambtenaren.
Volgens de SGP zou het hijsen van een andere vlag dan de Nederlandse alleen moeten gebeuren na instemming van het voltallige parlement.
De SGP betoogde dat een afwijkende vlag, ongeacht de achterliggende boodschap, niet zomaar door het dagelijks bestuur kan worden toegestaan. Het parlement zelf zou moeten beslissen over zulke zichtbare uitingen, zo stelde de partij. Dit procedurele bezwaar bracht het presidium tot heroverweging van het eerdere besluit.
Terugtrekking van de toestemming
Het presidium erkende het punt van de SGP en besloot de eerder verleende toestemming voor het hijsen van de regenboogvlag in te trekken. Kamervoorzitter Thom van Campen (VVD) bevestigde dat voor het tonen van een andere vlag dan de nationale driekleur een meerderheid in de Tweede Kamer vereist is.