Deel 2: Het Afscheid En De Notaris
Toen vaders ademhaling op een zachte lenteochtend uiteindelijk stilviel, was ik de enige die aan zijn zijde zat. Zijn laatste blik was er een van serene rust. Hij kneep nog eenmaal zacht in mijn vingers voordat hij zijn ogen voorgoed sloot. Het verdriet sneed als een mes door mijn ziel, maar er was ook vrede: hij had niet geleden in een anonieme instelling, maar was heengegaan in zijn eigen vertrouwde slaapkamer, omringd door warmte en liefde.
Twee weken na de sobere begrafenis ontving ik een officiële brief van notaris Meijer. Het testament van Hendrik van der Meer zou worden voorgelezen op zijn kantoor in het centrum van de stad.
Toen ik de wachtkamer van de notaris binnenliep, zaten Thomas en Julian er al. Beiden waren gekleed alsof ze naar een zakelijke overname gingen. Ze begroetten me koeltjes, met een mengeling van neerbuigendheid en argwaan. Ik zag hoe ze elkaar veelbetekenende blikken toewierpen. Ze gingen er blindelings vanuit dat het familiefortuin — de drie verhuurpanden in de stad, de uitgestrekte landerijen en de aanzienlijke bankrekeningen — onder hen beiden verdeeld zou worden, of dat ik wellicht een klein percentage zou krijgen als 'onkostenvergoeding' voor mijn zorgjaren.
Ik ging stil op een stoel in de hoek zitten. Mijn kleding was eenvoudig, mijn ogen waren nog rood van het huilen. Ik wilde geen huizen. Ik wilde geen geld of hectares grond. Het enige dat telde, was dat mijn vader in waardigheid was gestorven.
Notaris Meijer, een statige man van in de zestig met een zilveren bril, kuchte gewichtig en vroeg ons plaats te nemen aan de lange eikenhouten tafel. Hij opende het verzegelde dossier en begon met rustige stem de formele passages voor te lezen.