Wat volgde, deed de monden van mijn broers openvallen van hebzucht en tevredenheid.
"Aan mijn oudste zoon, Thomas van der Meer," las de notaris voor, "laat ik na het volledige eigendom van de drie verhuurpanden aan de Keizersgracht, evenals de beleggingsportefeuille bij de handelsbank ter waarde van één komma twee miljoen euro."
Thomas slaakte een diepe zucht van verlichting en leunde met een triomfantelijke grijns achterover in zijn stoel. Hij tikte voldaan met zijn gouden pen op het hout van de tafel.
"Aan mijn tweede zoon, Julian van der Meer," vervolgde de notaris, "laat ik na de totale eigendomstitels van de bouwgronden en landerijen in de polder, alsmede de zakelijke rekeningen van het aannemersbedrijf, met een totale geschatte waarde van één komma vier miljoen euro."
Julian balde zijn vuist onder de tafel en keek zijn broer triomfantelijk aan. Ze hadden precies gekregen waar ze op hadden gehoopt: miljoenen aan stenen en liquide middelen.
De notaris sloeg de bladzijde om. De spanning in de kamer was om te snijden. Mijn broers keken nu met een spottende, bijna medelijdende blik naar mij. Ze wachtten op het moment dat ik te horen zou krijgen wat mijn 'deel' was.
Notaris Meijer keek over zijn bril heen, keek mij recht in de ogen en sprak met een stem die plotseling veel zachter en warmer klonk: "En wat betreft mijn dochter, Elena..."
De notaris zweeg even en schoof de officiële papieren opzij. Hij bukte zich naar een lade onder zijn bureau en haalde een klein, met bruin fluweel bekleed doosje tevoorschijn. Het was niet groter dan de palm van een hand.
"Aan mijn dochter Elena laat ik dit doosje na," zei de notaris, terwijl hij het zachtjes over de tafel naar mij toe schoof. "Dit is haar volledige materiële erfdeel volgens de akte."
Er viel een doodse stilte in de kamer, direct gevolgd door een onderdrukt lachje van Julian.
"Een doosje?" spotte Thomas openlijk. "Vijf jaar lang de nobele heilige uithangen, en je krijgt een snuisterij. Zie je wel, Elena? Zaken zijn zaken. Vader wist drommels goed wie het vermogen kon beheren en wie er verstand van had."
De spot van mijn broers raakte me niet. Mijn handen trilden toen ik het fluwelen doosje naar me toe trok. Het voelde koud en zwaar. Ik opende het dekseltje met uiterste voorzichtigheid.
Binnenin lag een oud, bekrast zakhorloge van zilver. Het glas aan de voorzijde vertoonde een duidelijke barst. De wijzers stonden roerloos stil op precies twaalf over half vier. Het was een kapot, schijnbaar waardeloos erfstuk dat mijn vader ooit van zijn eigen grootvader had gekregen. Onder het horloge lag een klein, dubbelgevouwen briefje, geschreven in het karakteristieke, wankele handschrift van mijn vader uit zijn laatste levensweken.