Hij zei geen woord om mijn zoon te waarschuwen. Hij stapte zwijgend opzij en ik ging naar binnen, met die vreemde, zware mengeling van twijfel en zekerheid die me sinds het telefoongesprek als een schaduw had achtervolgd. De kamer van de student was rommelig, een chaotische weerspiegeling van een druk hoofd. De kamer rook naar muffe koffie en oude boeken. Talloze schetsen lagen verspreid tussen de halflege kopjes op tafel. Ik herkende de aard van zijn werk: nauwgezette tekeningen van donkere, verlaten architectonische ruimtes die hij stap voor stap op papier transformeerde tot adembenemende, luxueuze omgevingen. Het was alsof hij in zijn tekeningen wanhopig probeerde te herstellen wat hij als diep beschadigd beschouwde. Mijn zoon zat in de hoek bij het raam, met zijn rug naar de deur gekeerd, omringd door hoge stapels boeken en verspreide aantekeningen. Hij staarde uit het raam, zijn potlood nog in zijn hand. Het koude middaglicht streelde zijn gezicht toen hij zich omdraaide. Hij droeg de donkerblauwe trui die ik hem vorige kerst had gegeven. Hij zag er beslist vermoeider uit dan ik me herinnerde van zijn laatste bezoek thuis, een beetje magerder in zijn wijde trui, een beetje stiller in alle opzichten. Hij had donkere kringen onder zijn ogen, bewijs van slapeloze nachten. De last van het zelfstandig wonen was duidelijk zichtbaar. Toen hij opkeek en me zag staan, veranderde zijn gezicht onmiddellijk: eerst pure verbazing, alsof hij een spook zag, toen iets veel zachters. Opluchting. Een diepe, onvoorwaardelijke opluchting die de spanning van zijn schouders deed verdwijnen. Ik zag zijn ademhaling moeizaam worden en vervolgens luidruchtig ontspannen. Ik vroeg hem niet waarom hij had gebeld of hoe moeilijk het de laatste tijd voor hem was geweest.
Mijn moederinstinct overstemde elke behoefte aan logische verklaringen. Die waren helemaal niet nodig. Ik liet mijn tas op de grond vallen, liep gewoon naar hem toe, omhelsde hem stevig, en op dat moment viel alles op zijn plaats. Ik voelde hem even verstijven, toen hield hij me in zijn armen en legde zijn hoofd op mijn schouder. Het was alsof we tegelijk uitademden. De last van de afgelopen uren verdween als sneeuw voor de zon…