‘Dit moet vandaag.’
‘Nee. Jij denkt dat alles vandaag moet omdat niemand anders het doet.’
Ik keek haar aan.
Het apparaat zoemde tegen mijn borst. Op het aanrecht werd mijn koffie koud.
Noor trok een stoel naar achteren.
‘Zitten.’
Ik ging zitten.
Dat was de eerste keer sinds de bevalling dat iemand mij een opdracht gaf zonder er zelf iets aan te verdienen.
Mijn moeder bleef berichten sturen.
Eerst vriendelijk.
Heb je het misschien over het hoofd gezien?
Daarna zakelijk.
Femke heeft de telefoons al besteld.
En uiteindelijk verwijtend.
Het is voor je neefjes. Zij kunnen er niets aan doen dat jij nu alleen maar met jezelf bezig bent.
Ik maakte schermafbeeldingen. Niet omdat ik toen al een plan had, maar omdat ik op mijn werk had geleerd dat mensen zich gesprekken heel anders herinneren zodra geld een rol speelt.
Op de zevende dag ging om tien over negen de deurbel.
Op het scherm van de deurcamera zag ik mijn moeder. Ze droeg haar beige regenjas en had haar haar stevig naar achteren gekamd. Onder haar linkerarm hield ze een zwarte ordner tegen haar lichaam.
Ze belde opnieuw. Lang.
Lotte sliep eindelijk in de box. Ik liep naar de voordeur en opende hem slechts tot aan de ketting.
‘Wat is er mis met jou?’ riep mijn moeder.
Aan de overkant stopte buurman Kees met het legen van zijn brievenbus. Mijn moeder zag hem en verlaagde onmiddellijk haar stem.
‘Laat me binnen. We moeten als volwassenen praten.’
‘Waarom?’
‘Omdat jij je zus laat zitten om een paar rotcenten.’
‘Tweeduizend euro.’
‘Precies. Voor jou is dat geen ramp.’
Mijn vingers lagen om de rand van de deur. Ik voelde de wond van de bevalling trekken toen ik mijn gewicht verplaatste.
‘Heb je iets voor Lotte bij je?’
Mijn moeder keek langs me heen, de gang in.
‘Natuurlijk. Mijn aanwezigheid.’
Toen schoof de ordner onder haar arm een paar centimeter naar beneden.
Op de rug stond met een wit etiket: VOLMACHT H. DE WIT.
Ik herkende mijn eigen handschrift.
Drie jaar geleden had ik die ordner gemaakt na het overlijden van mijn vader. Er zaten kopieën in van bankgegevens, de verklaring van erfrecht en de beperkte volmacht waarmee ik mijn moeder tijdelijk had geholpen haar administratie te regelen.
De originele map hoorde in mijn werkkamer te liggen.
Mijn moeder zag waar ik naar keek en klemde hem steviger vast.
‘Waar heb je die vandaan?’
‘Doe niet zo achterdochtig.’
‘Die lag bij mij boven.’
‘Je hebt mij zelf een sleutel gegeven.’
‘Voor noodgevallen.’
‘Dit is een noodgeval.’
‘Nieuwe telefoons?’
Haar mond werd een dunne lijn.
‘Je vader zou zich schamen.’
Achter mij begon Lotte te huilen. Een klein, zoekend geluid. Mijn lichaam reageerde meteen; warme melk trok pijnlijk door mijn borsten.
Mijn moeder zette haar schoen tegen de deur.
‘Ik ga niet weg voordat je dat geld overmaakt.’
Ik keek naar haar voet. Naar de regendruppels op het beige leer. Naar de ordner die zij uit mijn huis had gehaald terwijl ik in het ziekenhuis lag.
Iets in mij knapte niet met lawaai. Er viel juist iets stil.
Ik deed een stap achteruit.
Mijn moeder glimlachte kort, omdat ze dacht dat ik de ketting ging verwijderen.
In plaats daarvan pakte ik mijn telefoon.
‘Als je je voet niet weghaalt, bel ik de politie.’
Ze staarde me aan.
‘Je belt toch niet de politie voor je eigen moeder?’
‘Nog tien seconden.’
‘Sanne, doe normaal.’
‘Negen.’
Ze trok haar voet weg.